ECLI:NL:GHARL:2021:11949

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 december 2021
Publicatiedatum
30 december 2021
Zaaknummer
Wahv 200.266.908/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep wegens onrechtmatig wisselen van voorsorteerstrook

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €230 wegens het niet volgen van de richting die de voorsorteerstrook aangeeft op een kruispunt in Venlo. De betrokkene wisselde van rijstrook bij het verkeerslicht, waarbij hij van de voorsorteerstrook voor rechtsaf naar een voorsorteerstrook voor rechtdoor reed.

De gemachtigde voerde aan dat het wisselen van rijstrook bij de eerste keuzemogelijkheid is toegestaan en dat de betrokkene niet heeft gehandeld in strijd met de regels. Het hof oordeelde dat deze interpretatie niet juist is, omdat ter plaatse sprake was van voorsorteervakken met verschillende rijrichtingen en dat de betrokkene de voorsorteerstrook met de pijl voor rechtsaf gebruikte terwijl hij rechtdoor reed.

De verklaring van de ambtenaar en het dossier bevestigen dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft de motivering van de officier van justitie terecht als voldoende beoordeeld en de verweren van de betrokkene en zijn gemachtigde zijn verworpen. Het hof bevestigt daarom de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €230 wegens het onrechtmatig wisselen van voorsorteerstrook en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.266.908/01
CJIB-nummer
: 220816329
Uitspraak d.d.
: 30 december 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 12 juli 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 oktober 2018 om 08:47 uur op de Koninginnesingel in Venlo met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De enige aangevoerde grond, te weten dat de betrokkene een eerste keuze maakt en dat dit is toegestaan, is door de officier van justitie niet behandeld en door de kantonrechter niet of niet goed behandeld. De officier van justitie heeft enkel een algemene afwijzing gegeven. De kantonrechter stelt ten onrechte dat de betrokkene door de motivering van de beslissing van de officier van justitie niet is geschaad in zijn belangen.
3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep heeft aangevoerd dat uit het arrest van het hof van 19 november 2018, Wahv 200.213.152 (vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2018:10008), volgt dat voordat er sprake kan zijn van voorsorteren, er een keuze dient te kunnen worden gemaakt tussen verschillende rijstroken met andere richtingen. De betrokkene, lokaal niet bekend, komt aanrijden op de Koninginnesingel en rijdt op de rechterrijstrook. Hij kan op dat moment niet zien welke rijstrook hij moet hebben om rechtdoor te kunnen rijden, omdat de beide rijstroken voor rechtdoor vol met auto’s staan. Hij blijft rechts rijden, ziet bij het stoplicht dat hij op de rijstrook voor rechtsaf staat en wisselt op dat moment, dus bij de eerste keuzemogelijkheid, naar de middelste baan. Bij gebreke van een doorgetrokken streep ging de betrokkene ervan uit dat deze handeling was toegestaan. Nu de betrokkene pas bij de eerste keuzemogelijkheid van rijstrook is gewisseld, heeft hij de verweten gedraging niet begaan.
4. Het verweer dat men tenminste eenmaal een keuze moet (kunnen) maken en dat de gedraging niet is verricht omdat de betrokkene bij de eerste keuzemogelijkheid van rijstrook is gewisseld, berust op een verkeerde lezing van het door de gemachtigde genoemde arrest en treft geen doel. Het hof zag zich in die zaak namelijk voor de vraag gesteld wanneer sprake is van voorsorteren of van een voorsorteerstrook. Het hof achtte voor de beantwoording van die vraag van belang dat voordat sprake kan zijn van voorsorteren, er een keuze moet kunnen worden gemaakt tussen rijstroken met verschillende richtingen. Op basis van de feitelijke situatie ter plaatse in die zaak heeft het hof geoordeeld dat ten onrechte een sanctie was opgelegd voor overtreding van artikel 78 van Pro het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in plaats van voor het negeren van bord D5. Een voorsorteerstrook, dat wil zeggen verschillende rijstroken met verschillende rijrichtingen waaruit kon worden gekozen, ontbrak immers. Er werd slechts door middel van bord D5, ondersteund met pijlen op de weg, aangegeven dat de enige mogelijke rijrichting rechtsaf was. In het onderhavige geval is niet in geschil dat ter plaatse sprake is van voorsorteervakken. Zoals uit het betoog van de gemachtigde en de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht volgt, is op de Koninginnesingel ter hoogte van de kruising/splitsing met de Roermondsepoort sprake van drie voorsorteervakken, te weten twee voor rechtdoor en één voor rechtsaf. De ambtenaar verklaart verder dat er boven de weg ook borden hangen met daarop pijlen voor de verschillende rijrichtingen en dat hij zag dat de betrokkene gebruik maakte van de voorsorteerstrook met een pijl die wees in de richting rechts en dat de betrokkene daaraan geen gevolg gaf. Uit de uitgebreide verklaring van de ambtenaar volgt verder dat de betrokkene op de kruising snel vóór een voor rechtdoor voorgesorteerde bestuurder is geschoten en in plaats van rechtsaf rechtdoor is gereden.
5. In reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal voert de gemachtigde nog aan dat uit het dossier niet blijkt waar van rijstrook is gewisseld en dat dit bij een doorgetrokken streep zou zijn geweest. De betrokkene zag bij nadering van het verkeerslicht op enig moment dat hij de andere rijstrook moest hebben. Dat betekent niet dat dit pas ter hoogte van het verkeerslicht was en onduidelijk is of dat voor of na het bord boven de weg was. Ter plaatse kon niet anders een keuze worden gemaakt.
6. De gemachtigde heeft eerder aangevoerd dat de betrokkene bij het verkeerslicht zag dat hij de verkeerde voorsorteerstrook reed en toen van rijrichting is veranderd. Dat komt overeen met hetgeen de ambtenaar heeft waargenomen en verklaard. Of zich een doorgetrokken streep tussen de voorsorteerstroken bevond, is voor de vaststelling van de gedraging niet relevant. Dat ter plaatse niet anders een keuze kon worden gemaakt, kan het hof niet volgen. Ook deze verweren treffen geen doel. Op basis van de verklaring van de ambtenaar kan dan ook worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
7. De officier van justitie heeft in zijn beslissing uitgelegd dat uit artikel 78 van Pro het RVV 1990 volgt dat de vóór het kruispunt bereden rijstrook bepalend is voor de op de kruising te volgen richting en overwogen dat doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de waarneming van de ambtenaar. Voor de bewijsvoering is verwezen naar de eerder toegestuurde stukken. Bedoeld zal zijn het zaakoverzicht inhoudende voormelde verklaring van de ambtenaar.
8. Gelet op het geen onder 4 is overwogen, kon de officier van justitie daarmee in dit geval volstaan. Dat de officier van justitie niet expliciet is ingegaan op het argument dat tenminste eenmaal een richting moet kunnen worden gekozen, maakt niet dat sprake is van een gebrekkige motivering van de beslissing van de officier van justitie. Dat brengt mee dat de kantonrechter in reactie op de klacht van de gemachtigde over de motivering van de beslissing van de officier van justitie heeft kunnen overwegen dat niet blijkt dat de betrokkene door de motivering van de beslissing van de officier van justitie in zijn belangen is geschaad.
9. Het verweer dat de kantonrechter de grond dat men tenminste eenmaal een keuze moet (kunnen) maken niet (goed) heeft behandeld, treft geen doel. Uit overweging 2.9. van de bestreden beslissing volgt dat de kantonrechter het hiervoor onder 3 vermelde verweer in zijn beoordeling heeft betrokken en dit heeft verworpen met de overweging dat de betrokkene ook rechtsaf had kunnen slaan om vervolgens de route naar zijn voorgenomen bestemming te vinden en dat de omstandigheid dat hij ervoor heeft gekozen op het kruispunt een andere richting te volgen dan de voorsorteerstrook waarop hij stond aangaf een omstandigheid is die voor zijn rekening dient te blijven.
10. Nu de verweren geen doel treffen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.