Belanghebbende, vertegenwoordigd door [A], stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank met betrekking tot een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting. Het griffierecht voor het hoger beroep werd niet betaald, waarna het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde. [A] tekende verzet aan tegen deze beslissing en deed een beroep op betalingsonmacht.
Het hof onderzocht de financiële situatie van belanghebbende en [A] zelf, waarbij werd vastgesteld dat de rechtspersoon was ontbonden en geen baten meer had. Voor rechtspersonen geldt dat zij in principe geen beroep op betalingsonmacht kunnen doen, behalve als zij geen vermogen meer bezitten en zijn opgehouden te bestaan. Daarnaast wordt gekeken naar het inkomen van de aandeelhouder/bestuurder. Uit de ingediende stukken bleek dat het inkomen van [A] ruim boven de 90% van de bijstandsnorm lag, waardoor geen sprake was van betalingsonmacht.
Het hof concludeerde dat [A] in verzuim was geweest door het griffierecht niet te betalen en dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten aan de wederpartij opgelegd. De uitspraak werd digitaal en in het openbaar gedaan op 9 februari 2021.