In deze zaak stond centraal of sprake was van een gebrek aan het appartement dat door appellante werd gehuurd van Vesteda, waarbij lekkages het woongenot beperkten. Appellante vorderde herstel van de lekkages en huurprijsvermindering, terwijl Vesteda ontbinding van de huurovereenkomst en betaling van huurachterstand eiste.
De kantonrechter had Vesteda veroordeeld tot herstel van het gebrek en een huurprijsvermindering van 40% vanaf 1 februari 2016 toegewezen. Het hof bevestigde dat Vesteda als verhuurder verantwoordelijk is voor het verhelpen van het gebrek, en dat de Vereniging van Eigenaren niet aansprakelijk is. Het hof oordeelde dat het gebrek het woongenot aanzienlijk beperkte, met name na februari 2016.
Het hof verwierp de hogere huurprijsvermindering van 70% die appellante wilde, en ook de lagere vermindering van 5-10% die Vesteda voorstelde. De huurprijsvermindering bleef 40%. Verder oordeelde het hof dat appellante recht had op huurprijsvermindering vanaf februari 2016, omdat eerdere meldingen onvoldoende waren onderbouwd. Vesteda's beroep op vervaltermijn werd afgewezen vanwege de geliberaliseerde huur.
Tot slot bevestigde het hof het recht van appellante op opschorting van huurbetaling tot het bedrag van de huurprijsvermindering, maar veroordeelde haar tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten, die werden gematigd tot €1.032,71. Beide partijen werden veroordeeld in elkaars kosten.