Uitspraak
1.[appellant] ,
[appellant],
[appellante],
[appellanten] c.s.,
1.[geïntimeerde1] h.o.d.n. [geïntimeerde1] Installatiebedrijf,
[geïntimeerde1],
De Stellingwerven,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of tussen appellanten en geïntimeerden een onvoorwaardelijke vaststellingsovereenkomst was gesloten na een comparitie bij de kantonrechter. Na een getuigenverhoor en bewijslevering, waaronder een transcriptie van een telefoongesprek, concludeerde het hof dat er op 23 mei 2019 een overeenkomst tot stand is gekomen waarbij appellanten een bedrag van € 6.500,- zouden betalen en partijen elkaar finale kwijting zouden verlenen.
Een belangrijk geschilpunt was of geïntimeerde1 ook bevoegd was om De Stellingwerven te vertegenwoordigen. Uit getuigenverklaringen en de telefoongesprekken bleek dat appellanten mochten afgaan op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van geïntimeerde1, zoals bedoeld in artikel 3:61 lid 2 BW Pro. Hoewel werd gesteld dat een schriftelijke bevestiging met handtekeningen een voorwaarde was, bleek dit niet uit de feiten.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank omdat de feitelijke grondslag was komen te vervallen. De vorderingen van geïntimeerden werden afgewezen en zij werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De uitspraak bevestigt het belang van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid en de bewijslast bij het sluiten van overeenkomsten in civiele procedures.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van geïntimeerden af.