Uitspraak
in eerste aanleg: verzoeker,
[verzoeker],
[verweerster],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoeker stelde in hoger beroep dat hij sinds november 2015 een arbeidsovereenkomst had met verweerster, die in januari 2020 onterecht zou zijn opgezegd. De kantonrechter had dit afgewezen omdat geen arbeidsovereenkomst bestond. Het hof onderzocht of de schriftelijke afspraken en feitelijke werkzaamheden een arbeidsovereenkomst vormden.
Uit het bewijs bleek dat verzoeker vooral privéwerkzaamheden verrichtte voor mevrouw C, de directeur en tevens privé-opdrachtgever, en niet onder gezag van verweerster werkte. Het door verzoeker overgelegde briefje was vooral een fiscaal vehikel. Verzoeker kon geen concreet bewijs leveren van productieve werkzaamheden voor verweerster.
Het hof bevestigde het oordeel van de kantonrechter dat er geen arbeidsovereenkomst was en dat het verzoek tot vernietiging van de opzegging daarom niet ontvankelijk was. Ook het subsidiaire verzoek om een billijke vergoeding werd afgewezen. Verzoeker werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, maar niet in de werkelijke proceskosten.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af wegens het ontbreken van een arbeidsovereenkomst en veroordeelt verzoeker in de proceskosten.