ECLI:NL:GHARL:2021:2085

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 maart 2021
Publicatiedatum
4 maart 2021
Zaaknummer
Wahv 200.239.978/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 KentekenreglementArt. 7:24 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking handelaarskenteken wegens onjuiste gedragsomschrijving

De betrokkene kreeg een sanctie van €340 opgelegd voor het niet op de voorgeschreven wijze gebruiken van een handelaarskenteken op 16 oktober 2016 in Gouda. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep stelde het gerechtshof vast dat de gedraging die tot de sanctie leidde feitelijk het rijden zonder kentekenplaat betrof, wat een andere overtreding is dan het niet correct gebruiken van het handelaarskenteken. De ambtenaar had niet concreet aangegeven wat het niet correct gebruik inhield, waardoor de gedraging niet kon worden vastgesteld.

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en de sanctiebeschikking van de officier van justitie en verklaarde het beroep gegrond. Het tot zekerheid gestelde bedrag moest worden gerestitueerd.

Het verzoek om vaststelling van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen werd afgewezen, omdat de beslistermijn door opschorting en ingebrekestellingen correct was gevolgd.

Ten slotte veroordeelde het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten aan de betrokkene, vastgesteld op €1068,-.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd en het beroep van betrokkene wordt gegrond verklaard met toekenning van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.239.978/01
CJIB-nummer
: 202200427
Uitspraak d.d.
: 4 maart 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 340,- voor: “als kentekenhouder het handelaarskenteken niet op de voorgeschreven wijze gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 oktober 2016 om 14:30 uur op de Nieuwe Gouwe O.Z. in Gouda met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
2. De gemachtigde verzoekt om matiging van het bedrag van de sanctie. De betrokkene is er van overtuigd dat hij vertrokken is met de handelaarskentekenplaat goed vastgemaakt. Inmiddels is de betrokkene de kentekenplaat kwijt, dus de vrees is dat deze er af gevallen is. De betrokkene snapt niet waarom de kentekenplaat is los gekomen en waar. Het voertuig was wel verzekerd en het ging slechts om een testritje.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Voertuig stond volgens RDW in handelsvoorraad. Bij rijden dient een groene handelaarskentekenplaat gevoerd te worden. Deze werd niet gevoerd. Bestuurder was tevens eigenaar handelaarskenteken.”
4. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 44 van Pro het Kentekenreglement. Hierin is bepaald op welke wijze een handelaarskenteken moet worden gebruikt.
5. De ambtenaar heeft niet verklaard waaruit het niet op de voorgeschreven wijze gebruik maken van het handelaarskenteken bestond. De ambtenaar verklaart dat ten onrechte geen groene kentekenplaat werd gevoerd. Dit betreft echter geen overtreding van dit artikel, de onderhavige gedraging ziet daarop niet. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen. Het tot zekerheid gestelde bedrag moet worden gerestitueerd. De overige bezwaren van de gemachtigde tegen de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie ten aanzien van de sanctie behoeven daarom geen bespreking meer.
6. De gemachtigde verzoekt het hof verder de verschuldigdheid en de hoogte van een dwangsom vast te stellen omdat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist. De officier van justitie is tweemaal in gebreke gesteld. Slechts na de tweede ingebrekestelling werd binnen veertien dagen beslist.
7. Het hof stelt vast dat de gemachtigde de kwestie van de verschuldigdheid van de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het administratief beroep bij de kantonrechter aan de orde heeft gesteld. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt niet dat hierover is geoordeeld. De beslissing van de kantonrechter kan ook op dit punt niet in stand blijven. Het hof zal hierover alsnog oordelen.
8. Uit het dossier blijkt het volgende.
  • Aan de betrokkene is een inleidende beschikking toegezonden met dagtekening 25 oktober 2016.
  • De gemachtigde heeft tijdig administratief beroep ingesteld. Dit beroepschrift bevat gronden in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is verzocht om een termijn om de gronden aan te vullen.
  • Op 22 december 2016 heeft de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van de brief de gronden aan te vullen.
  • Van die gelegenheid heeft de gemachtigde niet binnen de gestelde termijn gebruik gemaakt.
  • Bij brieven van 16 maart 2017 heeft de officier van justitie de gemachtigde en de betrokkene medegedeeld dat hij gebruik maakt van de mogelijkheid om de wettelijke beslistermijn met tien weken te verlengen.
  • Bij brief van 10 juni 2017, door de officier van justitie ontvangen op 13 juni 2017, heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke gesteld.
  • Bij brief van 6 juli 2017, door de officier van justitie ontvangen op 11 juli 2017, heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke gesteld.
  • Op 19 juli 2017 heeft de officier van justitie op het beroep beslist.
9. De officier van justitie heeft terecht de gelegenheid gegeven om de gronden van het beroep aan te vullen. Een redelijke uitleg van artikel 7:24, derde lid, van de Awb brengt mee dat de beslistermijn is opgeschort (vgl. het arrest van het hof van 28 oktober 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2020:8783). Gelet hierop eindigde de beslistermijn overeenkomstig artikel 7:24, eerste, derde en vierde lid, van de Awb op 4 juli 2017. De op 13 juni 2017 ontvangen ingebrekestelling is prematuur, er is binnen 14 dagen na de op 11 juli 2017 ontvangen ingebrekestelling beslist. De officier van justitie is dus geen dwangsom verschuldigd. Het hof zal het verzoek om een dwangsom vast te stellen afwijzen.
10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, het bijwonen van de hoorzitting bij de officier van justitie, het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift dienen in totaal vier procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1068,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat het tot zekerheid gestelde bedrag aan de betrokkene wordt gerestitueerd;
wijst het verzoek tot vaststellen van de verschuldigdheid en de hoogte van een dwangsom af;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1068,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.