Belanghebbende, een BV, maakte bezwaar tegen een verliesverrekeningsbeschikking en een beschikking wettelijke rente die verband hielden met de vaststelling van verliezen en de verrekening daarvan over verschillende boekjaren. De Inspecteur had het verlies over het boekjaar 2006/2007 aanvankelijk te laag vastgesteld, wat later onherroepelijk werd gecorrigeerd door het Hof in een eerdere uitspraak. De verliesverrekeningsbeschikking volgde pas na deze uitspraak, wat leidde tot een rentenadeel voor belanghebbende.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het Hof oordeelt dat het beroep tegen de beschikking wettelijke rente niet bij het Hof thuishoort en zendt deze door naar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het Hof vernietigt de uitspraak van de Rechtbank over de verliesverrekeningsbeschikking en verklaart het hoger beroep gegrond. Het Hof stelt vast dat de verliesverrekeningsbeschikking onrechtmatig laat is vastgesteld, waardoor belanghebbende recht heeft op vergoeding van wettelijke rente over de periode van 7 augustus 2010 tot en met 30 mei 2017.
De hoogte van de rentevergoeding wordt vastgesteld op €110.726,28, berekend op basis van samengestelde interest voor consumententransacties. Vergoeding van rente over de periode na 30 mei 2017 wordt niet toegewezen en moet via bestuurs- of civiele rechter worden gevorderd. Het Hof veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de schade en proceskosten.