ECLI:NL:PHR:2022:345
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding rente bij late verliesverrekening in vennootschapsbelasting
In deze zaak gaat het om het beroep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de vergoeding van rente bij een verliesverrekeningsbeschikking in de vennootschapsbelasting. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen van rentevergoeding over een te late verliesverrekening die voortvloeide uit een onjuiste verliesvaststellingsbeschikking.
De Rechtbank oordeelde dat heffingsrente niet vergoed kan worden bij achterwaartse verliesverrekening vanwege de wettelijke uitsluiting in artikel 30g van de AWR. Het Hof bevestigde dit, maar kwalificeerde het verzoek van belanghebbende als een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb en kende vergoeding van wettelijke rente toe over de periode van de vertraging.
De A-G betwist deze benadering en stelt dat het verzoek niet als schadevergoeding was ingediend en dat de wettelijke regeling voor heffingsrente een uitputtende regeling vormt, die geen ruimte laat voor aanvullende vergoeding op grond van burgerlijk recht, ook niet bij latere verliesverrekening. Ook wijst de A-G op het ontbreken van causaal verband tussen de verliesverrekeningsbeschikking en de geleden schade, die haar oorzaak vindt in de verliesvaststellingsbeschikking.
De conclusie is dat het beroep van de Staatssecretaris gegrond moet worden verklaard en dat het oordeel van het Hof dat wettelijke rente op grond van burgerlijk recht kan worden toegekend bij late verliesverrekening niet kan worden gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het oordeel van het Hof dat wettelijke rente kan worden toegekend naast de wettelijke regeling voor heffingsrente bij carry back van verliezen wordt vernietigd.