De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van het woonzorgcentrum aan de [a-straat] 100 te [A] voor het belastingjaar 2018 vast op €4.800.000. Belanghebbende, eigenaar en gebruiker van het verzorgingshuis, betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €4.278.000 voor. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het geschil spitste zich toe op de juiste toepassing van de gecorrigeerde vervangingswaarde, met name de correctie wegens technische veroudering. De heffingsambtenaar voerde aan dat door onderhoud en renovatie het bouwjaar en daarmee de levensduur van het object waren te herzien, wat een hogere waarde rechtvaardigde. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat alleen de renovatie in 1994 relevant was en verder normaal onderhoud de levensduur niet verlengt.
Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bouwjaar of de levensduur moest worden aangepast. Het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020 werd hierbij betrokken, waarin werd bevestigd dat de restwaarde ook bereikt kan zijn terwijl het object nog in gebruik is. De heffingsambtenaar had geen nadere onderbouwing geleverd na dit arrest. Het Hof stelde daarom de waarde vast op €4.278.000 en vermindert de aanslag dienovereenkomstig.
Verder veroordeelde het Hof de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende en gelastte vergoeding van griffierechten. De uitspraak werd op 9 maart 2021 in het openbaar gedaan.