Belanghebbende stelde verzet in tegen de uitspraak van het Gerechtshof waarin zijn hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. Belanghebbende had een beroep gedaan op betalingsonmacht om vrijstelling van het griffierecht te verkrijgen.
Het Hof onderzocht de inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende en zijn echtgenote over de toetsingsperiode van 6 maart 2020 tot en met 27 augustus 2020. Uit de stukken bleek dat belanghebbende een netto-inkomen genoot dat hoger was dan 90% van de geldende bijstandsnorm, waardoor hij niet voldeed aan de criteria voor betalingsonmacht. Ook was het vermogen niet zodanig laag dat betaling onmogelijk was.
De Hoge Raad en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn in eerdere jurisprudentie duidelijk geweest over de voorwaarden voor betalingsonmacht bij griffierecht. Het Hof paste deze richtlijnen toe en concludeerde dat het beroep op betalingsonmacht niet gegrond was. Daarom bleef de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep in stand en werd het verzet ongegrond verklaard.
Het Hof zag geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 9 maart 2021.