Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vader en moeder zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2013. De moeder heeft het gezag en de minderjarige woont bij haar en de stiefvader. De kinderrechter stelde de minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling, met als doel het contact met de vader te verbeteren.
De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking en voerde aan dat de omgang met de vader niet van de grond komt, maar dat dit geen reden is voor ondertoezichtstelling. Volgens haar functioneert de minderjarige goed in een stabiele gezinssituatie en leidt het aandringen op contact met de vader tot gedragsproblemen. De vader stelde dat hij al jaren probeert contact te krijgen en zich zorgen maakt over de ontwikkeling van zijn kind.
Het hof stelde vast dat de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling volgens artikel 1:255 lid 1 BW Pro zijn vervuld. Uit een rapport van Kind en Gezin bleek dat de minderjarige boos is over het contact met haar biologische vader en dat haar wensen gerespecteerd moeten worden. Tegelijkertijd is het in haar belang dat ouders samenwerken om op termijn het contact te herstellen.
Het hof oordeelde dat het verzoek van de moeder om de beschikking te vernietigen niet kan worden toegewezen en bekrachtigde de ondertoezichtstelling. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de minderjarige en wijst het hoger beroep van de moeder af.