In deze zaak gaat het om de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk tussen partijen na hun echtscheiding. Het geschil betreft met name de waardering en verdeling van de onderneming van de man, inclusief een loods, en het restaurant dat zij gezamenlijk exploiteerden. Het hof bevestigt dat de man de onderneming volledig heeft voortgezet na het overlijden van zijn vennoot en neemt de commerciële waardering van de onderneming per 31 december 2018 over.
Het hof oordeelt dat de man de kosten van een arbitrageprocedure met de erven van zijn voormalige vennoot zelf moet dragen, omdat hij deze procedure alleen samen met de vrouw kon voeren en niet aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan. Verder corrigeert het hof de waardering van de loods naar de werkelijke verkoopwaarde en bepaalt dat de vrouw de helft van de fiscale claim op de stille reserve moet vergoeden.
Ten aanzien van het restaurant stelt het hof vast dat de onderneming eind 2018 geen intrinsieke waarde meer had en bepaalt dat de inventaris, ter waarde van €8.000, gelijkelijk verdeeld moet worden. Daarnaast wijst het hof de vrouw een vergoeding toe voor door haar betaalde rekeningen, verminderd met ontvangen btw-teruggaven, en bepaalt dat de man haar hiervoor een bedrag van €1.578,26 moet betalen.
De totale waarde van de verkrijgingen van de man wordt vastgesteld op €73.120,- en die van de vrouw op €6.033,- negatief. De man moet aan de vrouw de helft van het verschil, zijnde €39.576,50, plus €45.250,- voor de loods en €1.578,26 betalen, minus een reeds ontvangen bedrag van €18.800,-, wat resulteert in een totaal van €86.404,76. De vrouw dient op haar beurt de helft van de fiscale claim en belastingteruggaven over 2016 en 2017 aan de man te betalen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.