In deze zaak staat de vaststelling van kinderalimentatie centraal. De man en vrouw zijn ouders van twee minderjarige kinderen met hoofdverblijf bij de moeder. De vrouw is onder bewind gesteld, waarbij de bewindvoerder formeel partij is in de procedure. De rechtbank had de man veroordeeld tot betaling van €150 per kind per maand.
De man kwam in hoger beroep met het verzoek de bijdrage te verlagen naar €50 per kind per maand. De vrouw stelde dat de man niet ontvankelijk was omdat de bewindvoerder formele procespartij is. Het hof oordeelde echter dat de bewindvoerder adequaat vertegenwoordigd was en dat de man ontvankelijk was.
Het hof onderzocht de draagkracht van de man en vrouw. De man had een eenmanszaak met beperkte winst en onregelmatige facturering, terwijl de vrouw geen eigen inkomen had maar wel een verdiencapaciteit rond het minimumloon. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €185 per kind per maand.
De draagkrachtberekening leidde tot een totale draagkracht van €691, waarvan de man €293 voor zijn rekening neemt. Na aftrek van een zorgkorting van 15% stelde het hof de alimentatie vast op €50 per kind per maand met wettelijke indexatie. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en de proceskosten werden gecompenseerd.