Uitspraak
[eiser],
Fositrans,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Werknemer trad op 1 april 2018 in dienst bij Fositrans B.V. met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op 25 juli 2018 meldde werknemer zich ziek en werd hij op staande voet ontslagen wegens vermeende werkweigering. De kantonrechter vernietigde het ontslag op staande voet op 12 juni 2020, omdat werknemer door ziekte ongeschikt was om te werken. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 februari 2019.
Werknemer vorderde in kort geding loon over de periode na het ontslag, waarbij de kantonrechter een deel toewijst en een deel afwijst. Werknemer ging in hoger beroep tegen de afwijzing van loon over februari en maart 2019. Het hof oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat het ontslag op staande voet is vernietigd en het loon inmiddels is betaald.
Daarnaast kan in kort geding geen loon worden toegewezen over de periode na ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat het hoger beroep tegen de ontbinding deze niet schorst. Het hoger beroep is daarom zonder redelijke grond ingesteld en werknemer wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de loonvordering in hoger beroep af wegens ontbreken van spoedeisend belang en veroordeelt werknemer in de proceskosten.