Partijen zijn in 1994 gehuwd en in 2009 gescheiden, waarbij de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden werd aangehouden. De rechtbank had in 2011 bepaald dat de man moest meewerken aan de verkoop van de voormalige echtelijke woning en verrekening van diverse schulden en tegoeden tussen partijen. Na diverse correspondentie tussen advocaten over betalingen en verrekeningen, ontstond onenigheid over een bedrag dat de vrouw nog aan de man zou moeten voldoen.
De man vorderde in hoger beroep betaling van een bedrag van €19.412,64 vermeerderd met wettelijke rente, terwijl de vrouw stelde dat zij reeds meer dan het verschuldigde had betaald en dat slechts een kleiner restantbedrag openstond. Het hof oordeelde dat partijen bindend zijn overeengekomen dat de vrouw €16.724,65 aan de man zou betalen, exclusief een bedrag van €1.663,- voor kinderopvangtoeslag 2009.
De vrouw had tot dan toe €16.789,15 betaald, waardoor nog een restant van €1.589,50 openstond. Over dit bedrag is de vrouw vanaf twee weken na betekening van het arrest wettelijke rente verschuldigd, omdat geen duidelijke ingebrekestelling was gedaan. Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de afwijzing van de vordering betrof, veroordeelde de vrouw tot betaling van het restantbedrag met rente en bepaalde dat iedere partij haar eigen kosten draagt.