Belanghebbende was in 2014 bestuurder en enig aandeelhouder van meerdere vennootschappen die geen vennootschapsbelastingaangifte deden. De Inspecteur legde ambtshalve aanslagen IB/PVV en ZVW op, inclusief een verzuimboete vanwege het niet tijdig doen van aangifte.
De Rechtbank vernietigde aanvankelijk de aanslagen en verwees terug naar de Inspecteur, maar stelde later de aanslagen en boete in stand. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, waarbij hij werd vertegenwoordigd door een gemachtigde die in oktober 2020 overleed. Ondanks uitnodigingen verscheen belanghebbende niet ter zitting.
Het Hof oordeelt dat de Inspecteur terecht een fictief gebruikelijk loon heeft vastgesteld op grond van artikel 12a Wet LB, omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vennootschappen geen loon konden betalen. De Inspecteur heeft de aanslagen redelijk geschat en belanghebbende heeft het verzwaarde bewijs niet geleverd.
De opgelegde boete is passend, maar wordt verminderd met 25% vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd, behalve dat de boete wordt verminderd tot €258.
Er wordt geen griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak is gedaan door het Hof op 23 maart 2021 en aan partijen toegezonden op 24 maart 2021.