Belanghebbende heeft zes gebruikte Volvo personenauto's met duale brandstoftanks (benzine en CNG) vanuit Zweden naar Nederland gebracht. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen BPM op gebaseerd op de hogere CO2-uitstoot van benzine, terwijl belanghebbende de BPM berekende op basis van de lagere CO2-uitstoot van CNG zoals vermeld op de Zweedse kentekenbewijzen.
De rechtbank Gelderland vernietigde de naheffingsaanslagen en rentebeschikkingen en kende belanghebbende een vergoeding toe. De Inspecteur stelde hoger beroep in. Het Hof oordeelt dat op grond van artikel 9, lid 11 Wet BPM, de CO2-uitstoot op basis van aardgas (CNG) voorrang heeft indien deze op voorgeschreven wijze is gemeten. De Zweedse kentekenbewijzen voldoen aan deze eis en vormen een geldig bewijsmiddel.
De Europese typegoedkeuring vermeldt alleen benzine-uitstoot en kan de hogere naheffing niet rechtvaardigen. De RDW heeft de CO2-uitstoot op basis van CNG niet als bewijsmiddel aangetoond. Daarom is de berekening van BPM op basis van CNG-uitstoot juist. Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en moet griffierecht betalen. De uitspraak is gedaan door het Hof Arnhem-Leeuwarden op 6 april 2021.