Deze civiele zaak betreft een geschil tussen twee voormalige eigenaren van aangrenzende percelen over de vraag of door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan. De oorspronkelijke eigenaren van de percelen [a-straat] 6 en [a-straat] 8 in [A] hebben hun percelen inmiddels verkocht, maar het hoger beroep is voortgezet vanwege de proceskostenveroordeling.
De kern van het geschil is of het gebruik van een oprit/rijpad over een deel van het perceel [a-straat] 8 door de eigenaren van [a-straat] 6 gedurende een onafgebroken periode van 20 jaar heeft geleid tot het ontstaan van een erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring. De rechtbank had de vorderingen afgewezen en de eisers in de proceskosten veroordeeld.
Het hof heeft de feiten opnieuw vastgesteld en geoordeeld dat de verjaringstermijn niet is verstreken omdat het gebruik van het deel van het perceel [a-straat] 8 pas vanaf circa 2000 plaatsvond en in 2017 is geëindigd. Daarnaast is onvoldoende bewijs geleverd dat sprake was van bezit van de erfdienstbaarheid. Ook het belang bij de materiële vorderingen is vervallen door de eigendomsoverdracht van de percelen. Het hof verklaarde de eisers niet-ontvankelijk voor de materiële vorderingen, bekrachtigde de proceskostenveroordeling en wees het meer of anders gevorderde af.