Belanghebbende, een B.V., maakte bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 2013, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard door de inspecteur. De rechtbank verklaarde het beroep eveneens ongegrond, kende belanghebbende echter een immateriële schadevergoeding van €250 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoedde proceskosten van €512.
Belanghebbende stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de procedure werd een compromis bereikt en trok belanghebbende het hoger beroep in. Het hof moest nog uitspraak doen over de vergoeding van griffierecht, proceskosten en immateriële schadevergoeding.
Het hof oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden en wees de immateriële schadevergoeding af. Wel werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van in totaal €864 en proceskosten van €1.068, omdat de inspecteur gedeeltelijk aan de bezwaren tegemoet was gekomen.
De uitspraak werd gedaan door de vijfde meervoudige belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 13 april 2021.