ECLI:NL:GHARL:2021:3530

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 april 2021
Publicatiedatum
13 april 2021
Zaaknummer
Wahv 200.263.131/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid WahvArt. 62 RVV 1990Art. 68, eerste lid, aanhef en onder c RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor rijden door rood licht met wijziging pleeglocatie

Betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd voor het niet stoppen voor een rood licht op 20 september 2018 op de Walaardt Sacrestraat te Schiphol. De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde de sanctie. Betrokkene voerde aan dat hij door oranje reed en betwijfelde de betrouwbaarheid van de verklaring van de verbalisanten, mede omdat het aanvullend proces-verbaal acht maanden na de gedraging was opgesteld.

Het hof oordeelt dat het niet vereist is dat een ambtenaar direct zicht heeft op het verkeerslicht, mits de waarnemingen en het onderzoek rechtvaardigen dat het rode licht genegeerd is. De ambtenaren hebben direct na de staandehouding de verkeerslichten gecontroleerd en vastgesteld dat het rode licht gold. De verklaring van de verbalisanten wordt niet verworpen ondanks de tijdsduur tussen gedraging en proces-verbaal.

Wel is vastgesteld dat de pleeglocatie in de beschikking onjuist is vermeld als Walaardt Sacrestraat, terwijl de gedraging plaatsvond op de Loevesteinse Randweg. Deze onjuiste vermelding leidt niet tot vernietiging van de beschikking, maar tot wijziging van de pleeglocatie. Betrokkene wordt hierdoor niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad.

Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter, verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond, wijzigt de pleeglocatie in de beschikking en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De sanctie voor rijden door rood licht wordt bevestigd met wijziging van de pleeglocatie in de beschikking en afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.263.131/01
CJIB-nummer
: 220538059
Uitspraak d.d.
: 13 april 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 18 juni 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is I.N.D.J. Rissema LLB., kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 september 2018 om 07.07 uur op de Walaardt Sacrestraat te Schiphol met het voertuig met het kenteken
[00-YY-YY] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene niet door rood is gereden, maar door oranje (het hof begrijpt: geel). Het door de verbalisanten opgestelde aanvullend proces-verbaal is opgesteld 8 maanden na de datum van de vermeende gedraging. Het is onmogelijk dat de verbalisant zich na 8 maanden nog exact, tot op de seconde nauwkeurig, weet te herinneren wat de gang van zaken is geweest op de betreffende ochtend. Aan de verklaring van de verbalisant moet dan ook worden getwijfeld. Dat de aanvullende verklaring is gebaseerd op door de verbalisant gemaakte aantekeningen is een aanname van de advocaat-generaal, maar nu de verbalisant dit niet noemt kan dat niet worden vastgesteld. Uit de verklaring in het zaakoverzicht blijkt niet hoe verbalisanten hebben vastgesteld hoe de betreffende verkeersregelinstallatie is afgesteld. Voorts is het de vraag of de verkeersregelinstallatie op ieder moment hetzelfde is afgesteld. Als de verbalisanten de installatie hebben gecontroleerd, dan blijkt onvoldoende dat deze bij de controle precies dezelfde afstelling had als ten tijde van de vermeende gedraging. Mogelijk is de afstelling afgestemd op verschillende tijdstippen of verkeersdrukte. Dit is niet uit te sluiten omdat de controle pas heeft plaatsgevonden na de staandehouding.
3. De onder 1. genoemde gedraging is een overtreding van artikel 62 in Pro verbinding met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Artikel 68, eerste lid, van het RVV 1990 houdt in:
“Bij driekleurige verkeerslichten betekent:
a. groen licht: doorgaan;
b. geel licht: stop: voor bestuurder die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;
c. rood licht: stop.”
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: wij, verbalisanten, stonden op een uitsorteerstrook voor linksaf. Wij zagen dat het stoplicht op groen sprong. Op dat moment zagen wij dat betrokkene de kruising in onze richting opgereden kwam. Wij zagen dat terwijl wij groen licht hadden betrokkene over de stopstreep reed. Wij zijn later teruggereden naar voornoemde kruising en zagen dat het verkeerslicht voor links groen licht en het stoplicht voor rechtdoor uit tegengestelde richting rood licht had. (…)
Verklaring betrokkene: ik reed letterlijk onder het stoplicht en zag dat het oranje was. Dan ga ik daar niet remmen.”
6. In het dossier bevindt zich voorts een proces-verbaal van 15 mei 2019, waarin één van de betrokken ambtenaren op ambtsbelofte heeft verklaard:
“Op bovengenoemde dag, datum, omstreeks 07:05 uur reden wij verbalisanten op de Loevesteinse randweg uit de richting van de Hendrik Walaardt Sacrestraat en stonden wij voorgesorteerd voor
linksaf richting de Mc Donalds. Ik, [B] , zag dat het verkeerslicht voor linksaf richting de
Mc Donalds van rood op groen versprong. Ik zag dat de verbalisant [C] langzaam opreed in de richting van de Mc Donalds. Ineens voelde ik dat ons voertuig tot stilstand kwam midden op het kruispunt en ik zag een voertuig vanaf de Loevestein Randweg in de richting van de Hendrik Walaardt. Sacrestraat rijden. Ik zag dat doordat de verbalisant [C] remde hij niet tegen het bovengenoemde voertuig aanreed. Ons is ambtshalve bekend dat het verkeerslicht voor rechtdoor waar de bovengenoemd bestuurder vandaan kwam nooit op groen kan staan, als het verkeerslicht voor linksaf richting de Mc Donalds op groen staat. Van het moment dat de verbalisant [C] opreed, omdat ons verkeerslicht groen werd tot het moment dat de verbalisant [C] hard moest remmen zat 2 seconden.
Hierop hebben wij de bestuurder een stopteken gegeven met ons dienstvoertuig, wij hebben het bovengenoemde voertuig doen stil houden. Wij hebben tegen de bestuurder gezegd, dat wij de
verkeerslichten gaan controleren. Wij gingen de verkeerslichten controleren op wanneer het verkeerslicht voor linksaf richting de Mc Donalds op groen staat of dan het verkeerslicht voor rechtdoor in de richting van de Hendrik Walaardt Sacrestraat op rood staat. Wij hebben ook tegen de bestuurder gezegd, dat wij het zo gaan controleren en dat als het verkeerslicht voor rechtdoor dan op rood staat, wij het proces-verbaal doorsturen. (…).
Het voertuig waar de bestuurder in reed betrof een rode Kia met het kenteken [C] .
Wij hebben de bestuurder hierop zijn weg laten vervolgen en zijn direct terug gereden naar de bovengenoemde locatie en hebben daar de verkeerslichten gecontroleerd.
Ik, [B] , stond bij het verkeerslicht voor links af richting de Mc Donalds, dit is waar wij met ons dienstvoertuig stonden te wachten voor het verkeerslicht. Ik zag de verbalisant [C] bij het
verkeerslicht voor rechtdoor staan, in de richting van de Hendrik Walaardt Sacrestraat, dit is de locatie waar de bestuurder vandaan kwam. De verbalisant [C] zou via de portofoon laten weten als het verkeerslicht veranderde van kleur. Ik, [B] , hoorde “het verkeerslicht wordt nu oranje”. Een drie (3} seconde later hoorde ik “het verkeerslicht wordt nu rood”. Ik, [B] ,zag na ongeveer êén (1} seconde het verkeerslicht voor links af richting de Mc Donalds van de kleur rood in de kleur groen veranderen.”
7. Het hof stelt voorop dat voor het opleggen van een sanctie voor het niet stoppen voor een rood verkeerslicht niet is vereist dat een ambtenaar rechtstreeks zicht heeft op het verkeerslicht dat voor de betrokkene geldt. Wel moet hetgeen de ambtenaar omtrent zijn waarneming verklaart, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de betrokkene het rode verkeerslicht heeft genegeerd.
8. De betrokkene ontkent door rood licht te zijn gereden. Onder verwijzing naar wat het hof heeft overwogen in zijn arrest d.d. 13 juni 2016 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:4941) is het hof van oordeel dat in een situatie als de onderhavige, waarin een ambtenaar groen licht waarneemt op het moment dat hij uit een conflicterende rijrichting een voertuig de kruising op ziet rijden, terwijl hij geen zicht heeft op het voor die bestuurder geldende licht, door de ambtenaar zal moeten worden vastgesteld dat het conflicterende licht rood moet zijn geweest alvorens een sanctie voor een roodlichtgedraging kan worden opgelegd. De ambtenaar zal ook moeten vermelden hoe hij dat heeft vastgesteld, bijvoorbeeld door direct na de waarneming ter plaatse te controleren hoe de lichten zijn afgesteld of door te vermelden wat daaromtrent uit de technische gegevens van de betreffende verkeersregelinstallatie blijkt.
9. Het hof stelt op basis van de informatie in het dossier vast dat de ambtenaren die de sanctie hebben opgelegd een dergelijk onderzoek hebben uitgevoerd. Uit het proces-verbaal blijkt hoe zij dit onderzoek hebben verricht en dat zij dit onderzoek direct na de staandehouding hebben verricht.
De omstandigheid dat de ambtenaren dit proces-verbaal 8 maanden na de gedraging hebben opgemaakt, maakt op zichzelf deze verklaring niet onbetrouwbaar. Het is het hof ambtshalve bekend dat ambtenaren na constatering van een gedraging aantekeningen plegen te maken van hun waarneming, welke aantekeningen zij raadplegen als later om aanvulling wordt verzocht. Dat de ambtenaren dat niet met zoveel woorden in dit proces-verbaal hebben opgeschreven, vormt geen aanleiding hieraan te twijfelen.
10. Het hof ziet voorts in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat zij dit onderzoek direct na staandehouding hebben verricht. Het enkele opwerpen van vragen omtrent mogelijke instellingen van de verkeersregelinstallatie vormt geen reden om aan te nemen dat de verkeersregelinstallatie anders was ingesteld ten tijde van de controle, die korte tijd na constatering van de gedraging heeft plaatsgevonden.
11. De verweren van de gemachtigde geven het hof dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar inhoudende dat de betrokkene niet is gestopt voor een rood licht uitstralend verkeerslicht.
12. Het hof stelt echter - met de advocaat-generaal - vast dat uit het proces-verbaal volgt dat de pleeglocatie de Loevensteinse Randweg is. In de inleidende beschikking en het zaakoverzicht is echter vermeld dat de pleeglocatie de Walaardt Sacrestraat is. Die pleeglocatie is dus onjuist. Naar het oordeel van het hof hoeft deze onjuiste vermelding niet te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking, maar kan de pleeglocatie in die beschikking worden gewijzigd. De betrokkene is staandegehouden en weet dus waar de gedraging heeft plaatsgevonden en tegen welk verwijt hij zich dient te verdedigen. De betrokkene wordt door deze wijziging niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad.
13. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof de sanctie terecht aan de betrokkene opgelegd. De beslissing van de kantonrechter kan echter niet worden bevestigd omdat de pleeglocatie in de inleidende beschikking onjuist is vermeld. De kantonrechter had het beroep aldus gedeeltelijk gegrond moeten verklaren. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.
14. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking in zoverre dat de pleeglocatie wordt gewijzigd in ‘Loevesteinse Randweg’;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.