Belanghebbende was het niet eens met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2008 en maakte bezwaar. De Inspecteur verklaarde het bezwaar deels gegrond en verminderde de aanslag. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende recht had op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof oordeelde dat geen aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid bestond die recht gaf op een kostenvergoeding, omdat belanghebbende niet tijdig de Rijnvaartverklaring had verstrekt.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding stelde het Hof vast dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase met 59 maanden was overschreden. Hoewel belanghebbende instemde met termijnverlenging, achtte het Hof dit geen bijzondere omstandigheid die de termijn verlengt, conform recente jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarom werd belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 5.000 toegekend.
Daarnaast veroordeelde het Hof de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor zowel de eerste aanleg als het hoger beroep en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht. Het Hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond.