Belanghebbende, eigenaar van het binnenvaartschip [A], kreeg voor 2019 een havengeldaanslag opgelegd gebaseerd op een waterverplaatsing bij een diepgang van 2,8 meter volgens de meetbrief. De rechtbank had de aanslag verminderd tot € 6.396,10, maar de heffingsambtenaar ging in hoger beroep. Het geschil betrof de verbindendheid van de gemeentelijke Verordening havengelden en de redelijkheid van de toegepaste heffingsmaatstaf.
Het hof oordeelde dat de Verordening in beginsel verbindend is, maar dat de aftopping van de diepgang op 2,8 meter leidt tot een onredelijke en willekeurige heffing voor schepen die vanwege het Twentekanaal slechts een maximale diepgang van 2,6 meter kunnen varen. De fictieve waterverplaatsing boven deze grens kan niet werkelijk worden veroorzaakt, waardoor belanghebbende onterecht meer havengeld betaalt dan een schip met een maximale diepgang van 2,6 meter.
De heffingsambtenaar stelde dat motorvermogen de hogere waterverplaatsing zou verklaren, maar het hof verwierp dit omdat motorvermogen niet in de Verordening is verwerkt en de stelling gemotiveerd werd weersproken. Ook het incidenteel hoger beroep dat de ontheffing van Rijkswaterstaat met een maximale diepgang van 2,3 meter als maatstaf moest gelden, werd verworpen.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank ambtshalve en stelde dat de havengeldaanslag verminderd moet worden tot een bedrag gebaseerd op een maximale diepgang van 2,6 meter. De aanslag werd verminderd tot € 6.396,10 en het betaalde griffierecht werd vergoed.