ECLI:NL:GHARL:2021:4295
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij gewoontewitwassen
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland waarin de verdachte was veroordeeld voor gewoontewitwassen en tot betaling van een geschat wederrechtelijk verkregen voordeel van €69.985,- was veroordeeld.
Tijdens het hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat hoewel de bedragen waarover de vordering zich uitstrekt zijn omgezet, niet kan worden afgeleid dat de verdachte daadwerkelijk voordeel heeft genoten uit het bewezenverklaarde handelen. De enkele omstandigheid dat geldbedragen zijn omgezet en dat de verdachte vrijelijk over het witgewassen geld kon beschikken, is volgens het hof onvoldoende om ontneming op te leggen.
Het hof baseert zich hierbij op recente jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is bevestigd dat het bewijs van omzetting van geldbedragen niet automatisch leidt tot het aannemen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst het de vordering tot ontneming af.
De verdachte is overigens bij arrest veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 72 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 160 uur. De beslissing tot ontneming staat los van deze strafoplegging.
Het arrest werd op 4 mei 2021 uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te Leeuwarden.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is afgewezen omdat niet is vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk voordeel heeft genoten.