ECLI:NL:GHARL:2021:430

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 januari 2021
Publicatiedatum
19 januari 2021
Zaaknummer
200.283.306
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij de rechtbank Midden-Nederland verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarige tot haar meerderjarigheid, vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de raad in hoger beroep ging.

Tijdens de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de minderjarige zelf verklaard dat het momenteel goed met haar gaat, zij naar school gaat, geen contact meer heeft met verkeerde mensen en dat haar stiefvader een positieve invloed op haar heeft. De raad heeft geen nieuwe feiten of informatie aangeleverd die deze verklaring tegenspreken.

Het hof oordeelt dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 BW Pro voor een ondertoezichtstelling. De problemen die de raad aanvoert betreffen grotendeels situaties uit het verleden en er is onvoldoende bewijs dat de situatie nog steeds ernstig bedreigend is. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.283.306
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 505855)
beschikking van 19 januari 2021
inzake
raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Utrecht,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de raad,
en
[verweerster],
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
en
[de vader],
wonende te [A] ,
verder te noemen: de vader.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor de procedure bij de kinderrechter naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 7 augustus 2020, uitgesproken onder het zaaknummer dat hierboven staat genoemd. Die beschikking wordt hierna ‘de bestreden beschikking’ genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift met producties, ingekomen op 15 september 2020.
2.2
Op 24 november 2020, op het moment dat de mondelinge behandeling stond gepland, is [de minderjarige] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof is gehoord.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 24 november 2020 plaatsgevonden. Namens de raad is toen [B] verschenen. De moeder is niet verschenen. Het hof heeft daarop beslist dat de mondelinge behandeling op een ander moment diende te worden voortgezet.
2.4
De mondelinge behandeling is op 5 januari 2021 voortgezet. Daar is verschenen [C] namens de raad. De moeder is opnieuw niet verschenen.

3.De feiten

De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2003 te [A] . De moeder en de vader hebben samen het gezag over [de minderjarige] .

4.De omvang van het geschil

4.1
De raad heeft verzocht om [de minderjarige] onder toezicht te stellen, tot aan haar meerderjarigheid [in] 2021.
4.2
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter het verzoek van de raad afgewezen.
4.3
De raad is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met deze grieven wil de raad dat het hof opnieuw naar de zaak kijkt. De raad verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad om [de minderjarige] onder toezicht te stellen totdat zij meerderjarig is, alsnog toe te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
In artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
De raad is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om [de minderjarige] onder toezicht te stellen. De raad meent dat uit het raadsrapport van 13 juli 2020 blijkt dat de ontwikkeling van [de minderjarige] ernstig wordt bedreigd. Er zijn verschillende zorgmeldingen door de politie gedaan, [de minderjarige] luistert niet naar volwassenen (zij laat zelfbepalend gedrag zien) en er zijn zorgen over hoe het met leren gaat (haar cognitieve ontwikkeling). [de minderjarige] doet heftige emotionele uitingen. Zij is niet in staat emoties bij zichzelf te herkennen en deze op een manier te uiten die passend is. Daarnaast zijn er volgens de raad zorgen over hoe de moeder [de minderjarige] opvoedt. De moeder lijkt niet goed te weten wat zij moet doen en het ziet eruit alsof het voor de moeder allemaal teveel is. De moeder geeft daarnaast onvoldoende openheid van zaken. De raad noemt verder dat [de minderjarige] veel verzuimt van school en dat zij een kwetsbare gezondheid heeft. De raad meent verder dat een ondertoezichtstelling zinvol is om [de minderjarige] naar haar meerderjarigheid te begeleiden. Volgens de raad is niet gebleken dat [de minderjarige] en haar moeder niet genoeg zullen meewerken aan de ondertoezichtstelling, zoals de kinderrechter meende.
5.3
Het hof is het met de kinderrechter eens dat niet voldaan is aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. Het hof denkt daar hetzelfde over als de kinderrechter. Het hof voegt hieraan nog iets toe. De problemen waar de raad naar verwijst spelen voor een groot deel al langere tijd geleden. [de minderjarige] heeft op 24 november 2020 bij het hof verklaard dat het nu goed met haar gaat en dat zij geen problemen meer heeft. [de minderjarige] gaat naar school, zij heeft geen contact meer met verkeerde mensen en haar stiefvader heeft een goede invloed op haar. De raad heeft niet uitgelegd of laten zien dat dit niet klopt. Als het met [de minderjarige] niet zo goed gaat als [de minderjarige] heeft verteld, dan had de raad met nieuwe informatie moeten komen. Daarvoor heeft de raad genoeg tijd gehad want het is al bijna vijf maanden geleden dat de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling heeft afgewezen. Het hof houdt er ook rekening mee dat de raad een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling zou hebben ingediend als de zorgen over [de minderjarige] waren toegenomen.

6.De slotsom

Het hof zal daarom de bestreden beschikking in stand laten (
bekrachtigen) en geen ondertoezichtstelling uitspreken.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 7 augustus 2020.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, A. Smeeïng-van Hees en R.A. Eskes, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 19 januari 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.