Uitspraak
1.[appellant] ,
[appellant],
[appellante],
[appellante],
[appellanten] c.s.,
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat de vraag centraal wie eigenaar is van een perceel grond naast de woning van appellanten te [A]. Appellanten huurden tot 2001 het naastgelegen perceel en bewerkten dit vervolgens, met de stelling dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden. De geïntimeerde verkreeg het perceel later via een notariële akte.
Appellanten voerden aan dat de notariële akte van levering van het perceel aan geïntimeerde niet authentiek zou zijn en dat zij door onafgebroken bezit van tien of twintig jaar eigenaar zijn geworden op grond van respectievelijk art. 3:99 en Pro 3:105 BW. Het hof oordeelde dat de notaris niet als partij bij de akte optreedde en dat de akte dus authentiek is.
Ten aanzien van de verjaring stelde het hof vast dat appellanten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij het perceel met de vereiste ondubbelzinnige eigendomspretentie hebben bezeten. De periode van twintig jaar bevrijdende verjaring was nog niet voltooid sinds zij pas in 2001 eigenaar werden van het aangrenzende perceel. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellanten in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en oordeelt dat appellanten geen eigenaar zijn geworden van het perceel door verjaring.