Belanghebbende, een vennootschap onder firma, deed aangifte BPM over een gebruikte auto uit het buitenland en betaalde €404. Het bezwaar tegen deze aangifte werd door de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep, en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten in beroep.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank. Het Hof bevestigde dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar terecht was en oordeelde dat de rechtbank terecht geen vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase toekende, omdat het bezwaar volledig in stand bleef. Ook wees het Hof het verzoek om een hogere proceskostenvergoeding af, omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond.
Verder verwierp het Hof klachten over de hoogte en betaling van griffierechten, verwijzend naar jurisprudentie die stelt dat het Nederlandse systeem geen onoverkomelijk obstakel vormt voor toegang tot de rechter. Een rentevergoeding over de periode tussen betaling en vergoeding van griffierecht werd eveneens afgewezen. Het beroep op rentevergoeding over ambtshalve toegekende teruggaaf werd verworpen omdat deze beslissing niet voor bezwaar vatbaar is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.