Belanghebbende werd geconfronteerd met een informatiebeschikking van de Belastingdienst over buitenlandse banktegoeden bij een Zwitserse bank voor de jaren 2003 tot en met 2014. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het beroep ongegrond verklaard en een termijn gesteld om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat de informatiebeschikking onrechtmatig was, onder meer vanwege het ontbreken van interne afstemming, het verstrijken van de navorderingstermijn voor 2003, het nemo tenetur-beginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Het hof oordeelde dat het ontbreken van interne afstemming binnen de Belastingdienst geen wettelijke vereiste is en de informatiebeschikking daarom niet onrechtmatig maakt. De navorderingstermijn voor 2003 was verlengd vanwege een op verzoek verleend uitstel voor het doen van aangifte, wat door de Inspecteur aannemelijk was gemaakt. Het nemo tenetur-beginsel stond niet in de weg aan het opleggen van de informatiebeschikking, omdat deze geen dwangmaatregel is en het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden aan de rechter wordt overgelaten.
Verder faalde het beroep op het evenredigheidsbeginsel omdat belanghebbende ondanks concrete aanwijzingen weigerde medewerking te verlenen zonder garanties over het gebruik van de informatie. De Inspecteur had de nationale mogelijkheden om informatie te verkrijgen uitgeput en het verzoek was proportioneel. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.