Belanghebbende, eigenaar van meerdere bedrijfsruimten en een kantoorgebouw, betwistte de WOZ-waardevaststelling voor het jaar 2018, met als waardepeildatum 1 januari 2017. Het geschil spitste zich toe op de juiste kapitalisatiefactor die toegepast moest worden bij de waardebepaling van de bedrijfsruimten aan de [a-straat] 20-20C. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens de zitting stelde belanghebbende het geschil nadrukkelijk te beperken tot de kapitalisatiefactor. De heffingsambtenaar verdedigde de gehanteerde factor 8,0, gebaseerd op taxatiematrices, terwijl belanghebbende een factor 7,0 bepleitte. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de gehanteerde factor 8,0 juist was, mede doordat de vergelijkingsobjecten niet op gerealiseerde huurtransacties waren gebaseerd en de onderbouwing ontbrak.
Belanghebbende slaagde er ook niet in haar lagere factor aannemelijk te maken, omdat de vergelijking met het kantoorgebouw [a-straat] 18 niet relevant was. Het hof stelde daarom de waarden van de bedrijfsruimten lager vast dan de heffingsambtenaar had gedaan. De waarde van het kantoorgebouw bleef ongewijzigd. Tevens wees het hof het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.