In hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland inzake de ontnemingsvordering wegens medeplegen van drugshandel heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het eerdere vonnis vernietigd. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €23.389,-, maar het hof achtte deze schatting te hoog en onvoldoende gefundeerd.
Het hof baseerde zijn nieuwe schatting op de bewezen verklaarde pleegperiode van 13 juni tot 13 november 2013 en de eigen verklaringen van de betrokkene over de dagelijkse verkoop van circa 20 bolletjes drugs à €10,- per bolletje. Na aftrek van inkoopkosten van heroïne en cocaïne kwam het hof tot een netto wederrechtelijk voordeel van €9.180,-.
De verplichting tot betaling aan de Staat werd op dit bedrag gesteld. Het conservatoire beslag op een geldbedrag van €856,45 werd niet in mindering gebracht, omdat dit pas bij executie van de betalingsverplichting relevant is. De overschrijding van de redelijke termijn leidde niet tot verlaging van het terugbetalingsbedrag, aangezien betrokkene reeds in de strafzaak was gecompenseerd.
Ten slotte bepaalde het hof de maximale gijzelingstermijn bij niet-nakoming van de betalingsverplichting op 80 dagen, overeenkomstig de wettelijke voorschriften en LOVS-oriëntatiepunten. Het arrest werd op 14 juli 2021 uitgesproken door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. A.H. toe Laer.