Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd betreffende de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene uit drugshandel.
De rechtbank had het voordeel vastgesteld op €13.928,-, gebaseerd op een abstracte en speculatieve berekeningsmethode die uitging van drie telefoongesprekken per deal. Het hof oordeelde dat deze methode onvoldoende gefundeerd was en niet werd ondersteund door de historische telefoongegevens en sms-berichten in het dossier.
Op basis van de bewezen verklaarde pleegperiode van 54 dagen en de eigen verklaringen van betrokkene over de dagelijkse verkoop van gebruikershoeveelheden cocaïne en heroïne, stelde het hof het bruto voordeel vast op €5.400,-. Na aftrek van inkoopkosten van €2.686,50 resteert een wederrechtelijk verkregen voordeel van €2.713,50.
De verplichting tot betaling aan de Staat werd door het hof opgelegd op dit bedrag. Het verweer van betrokkene dat rekening gehouden moest worden met zijn beperkte financiële draagkracht werd verworpen, waarbij het hof opmerkte dat in de executiefase alsnog kan worden beoordeeld of betaling mogelijk is.
Het hof bepaalde tevens de maximale gijzelingstermijn op 54 dagen en baseerde zijn beslissing op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.