ECLI:NL:GHARL:2021:697

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 januari 2021
Publicatiedatum
26 januari 2021
Zaaknummer
200.285.954
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c lid 2 BWJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens onveilige opvoedingssituatie

De zaak betreft een hoger beroep tegen beschikkingen van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige hebben verleend en verlengd. De moeder was alleen belast met het gezag over de minderjarige en werd onder toezicht gesteld. De moeder betwistte de uithuisplaatsing en verzocht om vernietiging van de beschikkingen en schorsing van de werking daarvan.

Het hof overwoog dat de moeder onvoldoende in staat is om de minderjarige een veilig en continu opvoedklimaat te bieden. De moeder had een laatste kans gekregen maar deze niet benut, onder meer doordat zij niet bereikbaar was voor de gecertificeerde instelling en vermoedelijk was gevlucht. Daarnaast was er sprake van meerdere woonplaatswisselingen en overlast, waardoor opvanglocaties werden verlaten.

Hoewel de moeder een Eigen Kracht-conferentie had ingezet, was dit nog te pril en onvoldoende om tot thuisplaatsing te komen. Het hof benadrukte dat samenwerking tussen moeder en gecertificeerde instelling noodzakelijk blijft. Gezien het ontbreken van positieve ontwikkelingen bevestigde het hof de bestreden beschikkingen en wees het verzoek tot schorsing af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wegens onvoldoende veilige opvoedingssituatie bij de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.285.954/01 en 200.285.954/02
(zaaknummer rechtbank Gelderland 376118)
beschikking van 26 januari 2021
inzake
[verzoekster],
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.J. de Bruin te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd te Arnhem,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (verder te noemen: de kinderrechter), van 8 september 2020 en 22 september 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 november 2020;
- het verweerschrift van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad);
- een brief van de GI van 23 december 2020;
- een e-mailbericht van mr. De Bruin van 4 januari 2021 met een productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 januari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- [B] namens de raad,
- [C] namens de GI.
Ter zitting is gelijktijdig het hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling (zaaknummers 200.285.974/01 en 200.285.974/02) behandeld.

3.De feiten

3.1
Uit de moeder is [in] 2010 [de minderjarige] geboren. De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van 1 september 2020 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van (het hof leest:) de GI met ingang van 1 september 2020 tot 1 september 2021 en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.3
Bij beschikking van 7 september 2020 heeft de kinderrechter het verzoek van de raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] afgewezen.
3.4
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 8 september 2020 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs verleend tot uiterlijk 6 oktober 2020 en de beslissing voor het overige aangehouden.
3.5
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 22 september 2020 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs verlengd tot uiterlijk 21 september 2021.
3.6
Op 9 november 2020 is [de minderjarige] in een crisispleeggezin geplaatst. Sinds eind november 2020 verblijft [de minderjarige] op een terreinvoorziening van een crisisplek.

4.De omvang van het geschil

De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikkingen. De moeder verzoekt het hof deze beschikkingen te vernietigen en (het hof begrijpt:) het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] alsnog af te wijzen. Daarnaast heeft de moeder verzocht om de werking van de bestreden beschikkingen te schorsen met onmiddellijke teruggeleiding van [de minderjarige] naar de moeder en subsidiair, voor het geval dat het hof de werking van de bestreden beschikkingen niet schorst, een contactregeling vast te stellen tussen de moeder en [de minderjarige] en tussen de oudste zoon van de moeder en [de minderjarige] , nader overeen te komen met de afdeling Rotterdam van de GI.

5.De motivering van de beslissing

Het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking en tot het treffen van een voorlopige voorziening (200.285.954/02)
5.1
Nu het hof in deze beschikking uitspraak doet in de hoofdzaak, heeft de moeder geen belang meer bij de behandeling van haar verzoeken tot schorsing van de werking van de bestreden beschikkingen en tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het hof zal deze verzoeken om die reden afwijzen.
Het inhoudelijke verzoek in hoger beroep (200.285.954/01)
5.2
Op basis van artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op basis van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
5.3
Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de moeder op dit moment niet in staat is om [de minderjarige] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van en veiligheid in zijn dagelijkse verzorging en opvoeding is gewaarborgd, zodat een uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] .
5.4
Het hof overweegt dat de kinderrechter de moeder bij beschikking van 7 september 2020 een laatste kans heeft geboden, omdat de moeder had aangegeven open te staan voor hulpverlening. Om die reden heeft de kinderrechter op dat moment het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen. Op 1 september 2020 had de kinderrechter de ondertoezichtstelling uitgesproken. Vanaf het moment bleek de moeder echter niet bereikbaar voor de GI. Het was de GI niet bekend waar de moeder en [de minderjarige] op dat moment verbleven en er bestond het vermoeden dat de moeder met [de minderjarige] naar België was gevlucht. Hierdoor namen de al grote zorgen over de opvoedsituatie en veiligheid van [de minderjarige] alleen maar toe, zeker ook omdat de moeder en [de minderjarige] na hun remigratie uit Ierland in ieder geval al vier keer van woonplek waren gewisseld. Het hof vindt verder van belang dat is gebleken dat de moeder en [de minderjarige] door hun gedrag en de overlast die zij veroorzaakten niet langer welkom waren bij het moeder-kindhuis van [D] . Kort na het uitspreken van de ondertoezichtstelling moesten zij ook de opvang bij [E] definitief verlaten. Vanaf dat moment hebben de moeder en [de minderjarige] enige tijd in een hotelkamer gewoond. De moeder stelt weliswaar dat haar gegevens bij de GI bekend waren en dat zij na het uitspreken van de ondertoezichtstelling actief heeft geprobeerd met de GI in contact te komen, maar dit is onvoldoende gebleken. De moeder heeft ook niet weersproken dat zij, toen er eenmaal contact was tussen de GI en haar, haar adresgegevens niet heeft gedeeld. Onder deze omstandigheden is het hof, anders dan de moeder aanvoert, van oordeel dat moeder wel degelijk een (laatste) kans is geboden vanaf 1 september 2020, maar dat zij deze kans niet heeft benut.
Het hof overweegt vervolgens dat op de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat zich sinds de bestreden beschikking onvoldoende positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan. De moeder ziet niet haar eigen aandeel in de ontstane situatie, is zelfbepalend en weigert de samenwerking met de GI aan te gaan. De door de moeder ingezette Eigen Kracht-conferentie is een positieve ontwikkeling, maar op dit moment nog te pril om te komen tot thuisplaatsing van [de minderjarige] . Deze Eigen Kracht-conferentie ontslaat de moeder bovendien niet van haar verplichting om de samenwerking met de GI aan te gaan, terwijl tot nu toe de GI daarbij niet is betrokken. Het ligt op de weg van de moeder én de GI om zich in het belang van [de minderjarige] in te zetten voor een goede samenwerking en het vinden van passende hulpverlening, zodat kan worden onderzocht hoe [de minderjarige] weer bij de moeder kan worden geplaatst.
5.5
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
Het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking en tot het treffen van een voorlopige voorziening (200.285.954/02)
wijst de verzoeken van de moeder tot het schorsen van de werking van de bestreden beschikkingen en tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Het inhoudelijke verzoek in hoger beroep (200.285.954/01)
bekrachtigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 8 september 2020 en 22 september 2020.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Eskes, A. Smeeing-van Hees en H. Phaff, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 26 januari 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. Smeeing-van Hees, in tegenwoordigheid van de griffier.