Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij hun vader. De moeder betwist de noodzaak van de uithuisplaatsing en stelt dat de kinderen beter bij haar kunnen verblijven, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) en de vader de verlenging ondersteunen.
De feiten tonen aan dat de kinderen sinds juni 2020 bij de vader wonen en dat er al geruime tijd zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen vanwege de moeilijke verstandhouding tussen de ouders. De GI heeft hulpverlening ingezet om de ouders te ondersteunen, waarbij de vader meewerkend is en de moeder minder, en zij stelt dat de moeder de impact van haar handelen op de kinderen onvoldoende erkent.
Het hof overweegt dat de gronden voor de uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat terugplaatsing verantwoord is. De ingezette hulpverlening toont weliswaar positieve ontwikkelingen, maar deze zijn nog pril. Het belang van de kinderen bij rust en continuering van de hulpverlening weegt zwaar.
Daarom bekrachtigt het hof de bestreden beschikking van de kinderrechter tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 juni 2021.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader tot 1 juni 2021.