De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die een administratief beroep ongegrond verklaarde wegens het niet afsluiten en in stand houden van een vereiste verzekering voor een motorrijtuig. Het hof volgt de recente uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad dat de tijdigheidsregels voor het instellen van beroep wel dwingend zijn, maar niet van openbare orde. Hierdoor mag de kantonrechter niet ambtshalve de tijdigheid van het administratief beroep toetsen als het beroep ontvankelijk is verklaard.
In deze zaak heeft de officier van justitie het administratief beroep inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard, waarna de kantonrechter dit standpunt bevestigde. De advocaat-generaal stelde dat het beroep te laat was ingesteld, maar het hof oordeelde dat dit niet ambtshalve door de kantonrechter of het hof mag worden beoordeeld.
De inhoudelijke beoordeling van de sanctie van €400,- wegens het niet verzekerd zijn van het motorrijtuig op 12 oktober 2018 werd gebaseerd op een registercontrole van de RDW. De betrokkene voerde aan dat het bewijs onvoldoende was omdat er geen ambtsedige verklaring was, maar het hof stelde dat de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften dit niet vereist. De gegevens in het zaakoverzicht zijn voldoende om vast te stellen dat de gedraging heeft plaatsgevonden.
Het hof bevestigde daarom het vonnis van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door het meervoudig hof te Leeuwarden op 22 juli 2021.