ECLI:NL:HR:2021:1153
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad heroverweegt ambtshalve beoordeling tijdigheid bezwaar en beroep in belastingzaak
Belanghebbende kreeg op 27 april 2017 een aanslag erfbelasting opgelegd met belastingrente. Het bezwaar daartegen werd aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De Rechtbank oordeelde echter dat het bezwaar tijdig was ingediend, ondanks dat het bezwaarschrift kennelijk niet bij de Inspecteur was aangekomen, en verklaarde het bezwaar ontvankelijk.
In hoger beroep stelde belanghebbende beroep in, terwijl de Inspecteur incidenteel hoger beroep instelde dat te laat was. Het Hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en vernietigde de uitspraak van de Rechtbank. De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte ambtshalve de tijdigheid van het bezwaar heeft beoordeeld, omdat de Awb dit niet toelaat in een volgende instantie.
De Hoge Raad herroept hiermee eerdere rechtspraak en bepaalt dat rechters in hoger beroep niet ambtshalve mogen toetsen of een bezwaar of beroep in een voorgaande instantie tijdig is ingediend. De zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling, waarbij het hof de gronden van het hoger beroep van belanghebbende moet beoordelen. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van cassatie.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor verdere behandeling.