ECLI:NL:GHARL:2021:7196

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 juli 2021
Publicatiedatum
27 juli 2021
Zaaknummer
200.291.410
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging zorgregeling na echtscheiding met gezamenlijke gezag en verdeling zorg- en opvoedingstaken

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep inzake de zorgregeling voor vier minderjarige kinderen na de echtscheiding van hun ouders in 2018. De ouders oefenden gezamenlijk het gezag uit en de kinderen woonden bij de moeder. De oorspronkelijke zorgregeling bepaalde dat de kinderen bij de vader verbleven volgens een vastgesteld schema met wisselingen in weekenden en vakanties.

De vader kwam met meerdere grieven tegen de gewijzigde zorgregeling en verzocht om een andere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De moeder voerde verweer en kwam met een incidenteel hoger beroep, waarbij zij eveneens een eigen zorgregeling voorstelde. Beide ouders gaven aan overbelast te zijn door de zorg voor de kinderen.

Het hof nam de motivering van de rechtbank over en oordeelde dat geen doorslaggevende argumenten aanwezig waren om de zorgregeling aan te passen. Hoewel beide ouders overbelast waren, zou een wijziging de ene ouder ontlasten maar de andere zwaarder belasten. Het hof benadrukte dat het oplossen van overbelasting een taak is van de ouders zelf of via externe ondersteuning.

Daarom bekrachtigde het hof de beschikking van de rechtbank Gelderland van 15 december 2020 en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestaande zorgregeling en wijzigt deze niet ondanks overbelasting van beide ouders.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.291.410
(zaaknummer rechtbank Gelderland 374615)
beschikking van 27 juli 2021
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. A.M.W.A. Lhoëst-van de Ven te [woonplaats1] ,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.G.M. ter Avest te Utrecht.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 december 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 12 maart 2021;
  • het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties;
  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;
  • een journaalbericht van mr. Ter Avest van 1 juli 2021 met producties.
2.2
De minderjarige [de minderjarige2] heeft bij brief van 8 mei 2021 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek. De minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 13 juli 2021 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- partijen, bijgestaan door hun advocaten;
- [naam1] namens de raad voor de kinderbescherming.

3.De feiten

3.1
Het huwelijk van de partijen is [in] 2018 ontbonden door echtscheiding.
3.2
Partijen zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2005 te [plaats1] ,
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2008 te [woonplaats2] ,
  • [de minderjarige3] , geboren [in] 2010 te [plaats3] en
  • [de minderjarige4] , geboren [in] 2012 te [plaats3] ,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
De kinderen wonen bij de moeder.
3.3
In de echtscheidingsbeschikking van 28 juni 2018 is als regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat de kinderen bij de vader verblijven:
  • eenmaal in de veertien dagen van zaterdagochtend 9.00 uur tot zondagavond 19.00 uur;
  • in de zomervakantie twee aaneengesloten weken en één niet aansluitende, losse week;
  • een week in de kerstvakantie. In de even jaren in de eerste week en in de oneven jaren de tweede week;
  • de helft van de feestdagen.
Zolang de vader in [woonplaats1] woont en de moeder in [woonplaats2] , haalt de vader de kinderen op bij de moeder en brengt ze terug naar de moeder. Vanaf het moment dat de vader in [woonplaats2] woont, zal het halen en brengen van de kinderen gelijkelijk tussen de ouders worden verdeeld.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende de kinderen.
Bij de, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, met wijziging van de beschikking van 28 juni 2018, als regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat de kinderen bij de vader verblijven:
  • drie achtereenvolgende weekenden van vrijdag 19.30 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader de kinderen op vrijdag ophaalt en op zondag weer terugbrengt naar de moeder;
  • de helft van de vakanties volgens de volgende verdeling:
o drie aaneengesloten weken tijdens de zomervakantie, in de even jaren de eerste drie weken en in de oneven jaren de laatste drie weken;
o de tweede week van de kerstvakantie;
o één week in de meivakantie, in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week;
o tijdens de voorjaarsvakantie in de oneven jaren;
o tijdens de herfstvakantie in de even jaren;
o de kinderen worden op vrijdag om 19.00 uur opgehaald bij de moeder en op zondagavond om 19.00 uur opgehaald door de moeder. Als de vakantieweken bij helfte worden verdeeld (zomer, kerst, mei) worden de kinderen om 19.00 uur op zaterdagavond naar de andere ouder gebracht en vindt de laatste wissel plaats op zondagavond om 19.00 uur.
o tijdens het Pinkster- en Paasweekend, waarbij de kinderen op vrijdagavond om 19.00 uur door de vader worden opgehaald en blijven tot maandagavond 19.00 uur. Ook het Hemelvaartsweekend zullen de kinderen bij de vader verblijven van woensdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur.
4.2
De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw beschikkende, de volgende zorgregeling vast te stellen. De kinderen verblijven bij de vader:
  • eenmaal per veertien dagen van vrijdagavond 19.30 uur tot zondag 17.00 uur;
  • gedurende de schoolvakanties:
o in de zomervakantie in de even jaren de eerste drie aaneengesloten weken en in de oneven jaren de laatste drie aaneengesloten weken;
o één week gedurende de kerstvakantie en in de even jaren één week in de meivakantie en in de oneven jaren in de herfstvakantie,
dan wel zodanig als het hof juist oordeelt,
waarbij de moeder de kinderen naar de vader brengt en de vader de kinderen naar de moeder brengt,
kosten rechtens.
4.3
De moeder voert verweer en is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De moeder verzoekt in het principaal hoger beroep de verzoeken van de vader af te wijzen. De moeder verzoekt in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat:
Primair:
  • de kinderen elk weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader, zolang hij in [woonplaats1] woont, de kinderen bij de moeder ophaalt en terugbrengt;
  • de vakantieregeling uit de bestreden beschikking in stand blijft, met dien verstande dat de kinderen op vrijdagavonden om 17.00 uur worden opgehaald en op zondagavonden om 17.00 uur worden teruggebracht. Als vakantieweken bij helfte worden gedeeld (zomer, kerst, mei) worden de kinderen op zaterdagavond om 17.00 uur naar de andere ouder gebracht en vindt de laatste wissel plaats op zondagavond 17.00 uur. Ook bij de Pinkster- en Paas- en Hemelvaartsweekenden die de kinderen bij de vader zullen doorbrengen geldt steeds de begin- en eindtijd van 17.00 uur.
Subsidiair:
  • de kinderen in de even weken bij de vader zijn en in de oneven weken bij de moeder, waarbij de wissel plaatsvindt op vrijdagmiddag om 17.00 uur;
  • de vakantieregeling uit de bestreden beschikking in stand blijft, met dien verstande dat de kinderen op vrijdagavonden om 17.00 uur worden opgehaald en op zondagavonden om 17.00 uur worden teruggebracht. Als vakantieweken bij helfte worden gedeeld (zomer, kerst, mei) worden de kinderen op zaterdagavond om 17.00 uur naar de andere ouder gebracht en vindt de laatste wissel plaats op zondagavond 17.00 uur. Ook bij de Pinkster- en Paas- en Hemelvaartsweekenden die de kinderen bij de vader zullen doorbrengen geldt steeds de begin- en eindtijd van 17.00 uur.
4.4
De vader voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel hoger beroep dan wel de verzoeken in het incidenteel hoger beroep af te wijzen, kosten rechtens.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.
5.2
Het hof is het eens met de beslissing en de motivering van de rechtbank in de bestreden beschikking en neemt deze over. Naast de redenen die de rechtbank heeft genoemd zal het hof ook om de volgende redenen beslissen dat de zorgregeling zoals die door de rechtbank is vastgesteld moet blijven gelden.
De vader en de moeder hebben allebei uitgebreid gemotiveerd aangevoerd dat de zorg voor de kinderen hen zwaar valt en dat de hoeveelheid zorg die de rechtbank in de zorgregeling heeft vastgelegd voor ieder van hen te veel is. Het hof neemt beide ouders hierin serieus. Het hof heeft evenwel geen doorslaggevende argumenten gevonden om (een aantal dagen) zorg bij de ene ouder weg te halen en die bij de andere ouder onder te brengen. Hierdoor zou weliswaar de ene ouder ontlast worden, maar ook zou hierdoor tegelijk de andere ouder meer belast worden, terwijl beide ouders aangeven op dit moment al overbelast te zijn. Nu het hof geen doorslaggevende argumenten heeft gevonden voor minder dagen zorg voor de vader of minder dagen zorg voor de moeder, zal het hof de bestreden beschikking met de daarin opgenomen zorgregeling in stand laten. Zoals op de zitting aan de orde is gekomen, kan het hof het punt van de overbelasting niet oplossen door middel van een beschikking. Dat kunnen alleen ouders zelf doen door gezamenlijk te zoeken naar een oplossing en anders is het aan ouders om ieder voor zichzelf ondersteuning te zoeken voor de tijd dat de kinderen bij hen zijn en de belasting die dat meebrengt te groot is.

6.De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep
6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en beslissen als volgt.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 december 2020, voor zover betreffende de regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van de kinderen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Feunekes en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M. Vodegel als griffier, en is op 27 juli 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.