ECLI:NL:GHARL:2021:7830

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 augustus 2021
Publicatiedatum
16 augustus 2021
Zaaknummer
Wahv 200.274.904/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 3 WahvArt. 8 WahvReglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie parkeren zonder vergunning op parkeerplaats vergunninghouders

De betrokkene werd een sanctie van €95 opgelegd wegens parkeren zonder vergunning op een parkeerplaats voor vergunninghouders. Tegen deze sanctie werd administratief beroep ingesteld, dat door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening, maar het hof oordeelde dat de kantonrechter ambtshalve buiten de omvang van het geding trad door de tijdigheid van het administratief beroep te beoordelen.

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en beoordeelde inhoudelijk het beroep. De betrokkene voerde aan dat een foto ontbrak en dat hij het voertuig eerder had ingeleverd dan vermeld in de huurovereenkomst, die bovendien niet rechtsgeldig zou zijn. Het hof stelde vast dat de foto’s wel aanwezig waren in hoger beroep en dat de huurovereenkomst rechtsgeldig was ondertekend op de tweede pagina.

Op basis van de gegevens en foto’s concludeerde het hof dat de gedraging had plaatsgevonden en dat de betrokkene ten tijde daarvan huurder van het voertuig was. De sanctie werd daarom terecht opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de sanctie van €95 blijft in stand; verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.274.904/01
CJIB-nummer
: 221426668
Uitspraak d.d.
: 16 augustus 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 24 januari 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Bij inleidende beschikking is aan de betrokkene een sanctie opgelegd. Hiertegen is namens de betrokkene administratief beroep ingesteld. De officier van justitie heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De kantonrechter heeft vervolgens ambtshalve geoordeeld dat het administratief beroep te laat is ingesteld en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Daarom heeft de kantonrechter - met gegrondverklaring van het beroep daartegen - de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het administratief beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaard.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het niet aan de kantonrechter is om dit ambtshalve te beoordelen.
3. Zoals overwogen in het meervoudig arrest van het hof van 22 juli 2021, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2021:7065, hanteert het hof voortaan als uitgangspunt dat de kantonrechter (slechts) is gehouden om de tijdigheid van het bij hem ingestelde beroep te beoordelen, maar dat hij niet tevens, ambtshalve, al dan niet op initiatief van de officier van justitie, de tijdigheid van het administratief beroep mag beoordelen.
4. In de onderhavige zaak heeft de kantonrechter ambtshalve de tijdigheid van het administratief beroep beoordeeld. De kantonrechter is daarmee, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat in deze procedure naar analogie van toepassing is, buiten de omvang van het geding getreden en heeft het administratief beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en overgaan tot de (inhoudelijke) beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.
5. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren op parkeerplaats vergunninghouders (bord E9) zonder vergunning voor dat voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 juni 2018 om 11:31 uur op de Opaalstraat in Ede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
6. De gemachtigde voert aan dat er ten onrechte geen foto in het dossier zit, terwijl deze behoort tot de op zaak betrekking hebbende stukken. Bij gedragingen als de onderhavige (waarbij het MEOS-systeem is gebruikt) kan de zaak alleen worden doorgezet naar het CJIB als dat er een foto wordt bijgevoegd. Het kan dus niet anders dan dat in deze zaak een foto beschikbaar is. De officier van justitie heeft verzuimd om deze foto op te vragen. De inleidende beschikking kan reeds om die reden niet in stand blijven. Verder stelt de betrokkene dat hij het voertuig op 20 juni 2018 al had ingeleverd en niet pas op 10 juli 2018, zoals in de huurovereenkomst is vermeld. De verhuurder heeft dit achteraf aangepast. De huurovereenkomst is niet ondertekend (alleen de algemene voorwaarden). Aldus is geen sprake van een geldige huurovereenkomst, op grond waarvan de officier van justitie mocht aannemen dat de betrokkene ten tijde van de gedraging de huurder van het voertuig was.
7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. In dit zaakoverzicht staat onder meer dat de ambtenaar heeft geconstateerd dat het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats stond geparkeerd op parkeerplaats voor vergunninghouders, hetgeen werd aangegeven met een bord E9, als bedoeld in Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, terwijl voor dat voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats was verleend.
9. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal het brondocument overgelegd met als bijlage de foto’s van de gedraging. Op deze foto’s is een voertuig met het kenteken [kenteken] te zien.
10. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bovengenoemde gegevens. Het dossier geeft daartoe evenmin aanleiding. Op grond van deze gegevens kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dat de foto’s van de gedraging pas in hoger beroep zijn overgelegd vormt geen aanleiding om de inleidende beschikking te vernietigen. De mogelijk hierdoor veroorzaakte schending betreft immers niet de gebrekkige totstandkoming van de inleidende beschikking.
11. Vervolgens dient het hof te beoordelen of de sanctie terecht aan de betrokkene is opgelegd. Op grond van artikel 8 van Pro de Wahv is de officier van justitie bevoegd om de sanctie op te leggen aan degene die op het moment van de gedraging de huurder van het betreffende voertuig was.
12. In het dossier bevindt zich huurovereenkomst, waarin op de eerste pagina is vermeld dat de betrokkene van 12 juni 2018 tot en met 10 juli 2018 de huurder van het betreffende voertuig was. De tweede pagina is voorzien van een handtekening van zowel de verhuurder als de betrokkene.
13. Uit de bovengenoemde huurovereenkomst blijkt dat de betrokkene ten tijde van de gedraging de huurder van het betreffende voertuig was. De stelling van de gemachtigde dat de huurovereenkomst niet rechtsgeldig is, omdat deze niet is ondertekend, volgt het hof niet. De pagina waarop de handtekeningen staan maakt immers deel uit van de huurovereenkomst. Dat een handtekening op de eerste pagina ontbreekt, maakt dit niet anders. De stelling dat de verhuurder achteraf de datum op de huurovereenkomst heeft aangepast is niet onderbouwd. Aldus is de sanctie terecht aan de betrokkene opgelegd.
14. Gelet op het voorgaande heeft de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie zal dan ook ongegrond worden verklaard
15. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.