ECLI:NL:GHARL:2021:7925

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 augustus 2021
Publicatiedatum
17 augustus 2021
Zaaknummer
200.298.258/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvArt. 24 Rome I bis
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen ontruiming huurwoning en belangenafweging uitvoerbaarheid vonnis

De zaak betreft een incident ex artikel 351 Rv Pro in hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter dat de huurder veroordeelde tot ontruiming van een woning. De huurovereenkomst was opgezegd en de woning was verkocht met levering gepland kort na de ontruiming. De huurder verzocht het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen, stellende dat hij anders op straat zou komen te staan zonder alternatieve woonruimte.

Het hof beoordeelde het verzoek aan de hand van de criteria van de Hoge Raad, waarbij het belang van de huurder bij behoud van de woning moest worden afgewogen tegen het belang van de verhuurder bij spoedige levering. Het hof concludeerde dat het enkele feit dat ontruiming onomkeerbaar is en de huurder mogelijk dakloos wordt onvoldoende is onderbouwd om schorsing te rechtvaardigen.

Het hof benadrukte dat de huurder de woning na rechtsgeldige opzegging moet ontruimen en dat het hoger beroep niet mag worden gebruikt om executie uit te stellen. Het verzoek tot schorsing werd daarom afgewezen, terwijl de beslissing over de kosten werd aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de ontruiming af en verwijst de hoofdzaak naar de rol voor verdere behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.298.258/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 9327483)
arrest van 17 augustus 2021 in het incident ex art. 351 Rv Pro
in de zaak van
[appellant],
die woont in [woonplaats1] ,
appellant,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. G.J. Westerdijk, die kantoor houdt in Leeuwarden,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats2] ,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: eiser,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. D. Pranjic, die kantoor houdt in Utrecht.

1.De procedure bij de rechtbank

Hoe de procedure bij de rechtbank is verlopen, blijkt uit het vonnis in kort geding van
28 juli 2021 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep (spoedappel) van 5 augustus 2021, waarin zijn opgenomen de grieven en een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad (met bijlagen);
- de conclusie van eis van 10 augustus 2021;
- de memorie van antwoord in het incident tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak en memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel van 10 augustus 2021
(met bijlagen).
2.2
Partijen hebben arrest gevraagd in het incident. [appellant] heeft de stukken daarvoor aan het hof gegeven.
3 De feiten, het geschil, de beslissing van de kantonrechter en het verzoek
3.1
Voor zover van belang voor de beoordeling in het incident, gaat het in deze zaak om het volgende.
3.2
Sinds 22 januari 2019 huurt [appellant] van [geïntimeerde] de woning aan de [adres] te [woonplaats1] (verder: de woning). Op 29 april 2021 heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 juli 2021.
3.3
Op 13 juli 2021 heeft [geïntimeerde] de woning verkocht. In de koopovereenkomst staat dat de woning geleverd wordt op 1 augustus 2021 of zoveel eerder of later als partijen zullen overeenkomen.
3.4
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning, met nevenvorderingen. De kantonrechter heeft [appellant] in het vonnis van
28 juli 2021 veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, met nevenveroordelingen.
3.5
Het vonnis van de kantonrechter is op 3 augustus 2021 aan [appellant] betekend met bevel de woning binnen veertien dagen na de betekening te ontruimen.

4.Het verzoek in het incident en de beoordeling daarvan

Het verzoek

4.1
[appellant] verzoek het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen totdat in de hoofdzaak is beslist met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident.
4.2
Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt [appellant] dat sprake is van een noodtoestand. Als hij daadwerkelijk uiterlijk op 17 augustus 2021 moet ontruimen (zoals aangezegd) is het gevolg daarvan onomkeerbaar. Hij heeft bovendien geen vervangende woonruimte en zal in het geval van ontruiming dus zijn ‘aangewezen op een zwerversbestaan’.
De beoordeling
4.3
[geïntimeerde] woont in Italië. De zaak heeft daardoor een internationaal karakter. Artikel
24 Rome I bis geeft exclusieve bevoegdheid aan de Nederlandse rechter in geval van huur van een in Nederland gelegen object. Daarmee is de bevoegdheid van de Nederlandse rechter gegeven. Partijen gaan uit van toepasselijkheid van Nederlands recht. Het hof volgt hen daarin.
4.4
Uitgangspunt voor beoordeling van de incidentele vordering zijn de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026). Voor de situatie dat de rechter de beslissing tot uitvoerbaarheid bij voorraad niet heeft gemotiveerd (zoals in deze zaak het geval is) houden die criteria, samengevat, het volgende in:
- Een veroordeling is uitvoerbaar ook als daartegen hoger beroep is ingesteld.
- De uitvoerbaarheid van het veroordelend vonnis kan niettemin worden geschorst, als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij. Bij de beoordeling of daarvan sprake is wordt uitgegaan van de overwegingen en beslissingen van de veroordelende rechter. De kans van slagen van het hoger beroep blijft buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de veroordelende rechter op een kennelijke misslag berust, kunnen daaraan gevolgen worden verbonden voor de uitvoerbaarheid.
4.5
[appellant] heeft niet gesteld dat één of meer van de beslissingen van de kantonrechter berusten op een kennelijke misslag. Dat brengt mee dat van de aanwezigheid daarvan niet kan worden uitgegaan.
4.6
Dat [appellant] er belang bij heeft om de uitkomst van het hoger beroep in zijn woning te kunnen afwachten is op zichzelf niet voldoende voor schorsing van het ontruimingsvonnis. Bij de belangenafweging is namelijk een belangrijk gezichtspunt dat de eerste rechter de vordering heeft toegewezen en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt als middel om uitstel van executie te verkrijgen
(HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688).
4.7
Het hof begrijpt de stellingen van [appellant] aldus dat zijn belang bij behoud van zijn woonruimte zwaarder moet wegen dan het belang van [geïntimeerde] bij levering van de woning in onverhuurde staat.
4.8
[appellant] stelt in dit verband dat het gevolg van de ontruiming onomkeerbaar is. Dat is feitelijk wel juist. Indien ontruimd wordt is het door [geïntimeerde] aangekondigde en daarom te verwachten gevolg immers dat [geïntimeerde] de woning levert aan de koper daarvan. Ook als in de hoofdzaak geconcludeerd zou worden dat de ontruiming niet bevolen had mogen worden brengt die levering mee dat [appellant] niet zal kunnen terugkeren in de woning. Tegenover dit belang van [appellant] staat het belang van [geïntimeerde] bij een spoedige levering van de woning, waarbij de op de woning rustende hypotheekschuld kan worden afgelost die hem nu belemmert om in Italië een andere woning te kopen.
Dat de huurder een gehuurde woning na een rechtsgeldige beëindiging van de huurovereenkomst – waarvan de voorzieningenrechter is uitgegaan – moet ontruimen, volgt uit de wet. Dat ontruiming wordt bevolen in een daartoe strekkende procedure is ook voor de huurder voorzienbaar en het onomkeerbare gevolg van de ontruiming levert niet zondermeer een zwaarder wegend belang op voor de huurder, waarbij het hof ook wijst naar het hiervoor onder 4.6 genoemde gezichtspunt.
4.9
Indien het zo is dat een huurder als gevolg van de ontruiming daadwerkelijk op straat komt te staan kan die situatie, rekening houdend met alle overige omstandigheden van het geval (waaronder het, ontegenzeggelijk, ingrijpende karakter van een ontruiming), de weegschaal van de belangenafweging (niettemin) in het voordeel van de huurder doen doorslaan. [appellant] heeft aangevoerd dat hij na ontruiming zal zijn ‘aangewezen op een zwerversbestaan’. Meer dan dat heeft hij echter niet gesteld. Dat betekent dat niet kan worden beoordeeld of dat gestelde zwerversbestaan een reëel scenario is en of alternatieven zijn onderzocht, maar (redelijkerwijs) onmogelijk zijn gebleken.
4.1
De conclusie is dat onvoldoende is gesteld om de gevolgtrekking te rechtvaardigen dat het belang van [appellant] , hangende het hoger beroep, bij handhaving van de bestaande toestand zwaarder moet wegen dan het belang van [geïntimeerde] om zijn leveringsplicht na te komen en het vonnis met het oog daarop ten uitvoer te leggen. De incidentele vordering wordt daarom afgewezen. De beslissing omtrent de kosten van het incident word aangehouden tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.
De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
in het incident
wijst de vordering af;
bepaalt dat omtrent de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar
de rol van 31 augustus 2021voor memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.P.M. ter Berg, J.H. Kuiper en R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
17 augustus 2021.