Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant en geïntimeerde exploiteerden beiden in 2014 een agrarisch bedrijf. Appellant kreeg in 2015 een bestuurlijke boete opgelegd wegens overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm. Appellant stelde dat deze boete aan geïntimeerde te wijten was en vorderde vergoeding op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad.
De kantonrechter wees alle vorderingen af en veroordeelde appellant in de proceskosten. In hoger beroep handhaafde het hof dit oordeel. Het hof overwoog dat geïntimeerde slechts 600 m³ runderdrijfmest mocht uitrijden, wat niet tot de overschrijding leidde. De overschrijding werd veroorzaakt door varkensdrijfmest, waarvan appellant onvoldoende feiten stelde om aan te tonen dat geïntimeerde daarvoor verantwoordelijk was.
Appellant kon niet aantonen dat geïntimeerde de varkensdrijfmest had aangevoerd of uit laten rijden. Bewijsmiddelen zoals vervoersbewijzen en administratieve stukken toonden geen directe betrokkenheid van geïntimeerde. Het hof concludeerde dat appellant onvoldoende feiten had gesteld om de vordering toe te wijzen en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot vergoeding van de bestuurlijke boete af wegens onvoldoende bewijs van toerekening aan geïntimeerde.