ECLI:NL:GHARL:2021:8177

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 augustus 2021
Publicatiedatum
25 augustus 2021
Zaaknummer
Wahv 200.274.277/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging kantonrechterbeslissing wegens onvolledig proces-verbaal en afwijzing beroep parkeerboete

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie waarbij een parkeerboete van €95,- was opgelegd wegens parkeren op een plek voor een andere voertuigcategorie. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof vernietigde deze beslissing omdat het proces-verbaal van de zitting niet de door de gemachtigde aangevoerde argumenten bevatte, met name de stelling dat geen verkeersbesluit was genomen voor het betreffende verkeersbord.

Het hof oordeelde dat een proces-verbaal een zakelijke weergave van de zitting moet bevatten en dat de enkele vermelding “anders dan gemachtigde meent” onvoldoende is. Vervolgens beoordeelde het hof het beroep zelf inhoudelijk en verwees naar een arrest van de Hoge Raad waarin is bepaald dat het ontbreken van een verkeersbesluit voor een verkeersbord niet betekent dat het bord genegeerd mag worden.

Daarom verklaarde het hof het beroep tegen de parkeerboete ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het hof deed hetgeen de kantonrechter had moeten doen, namelijk het beroep inhoudelijk beoordelen.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en verklaart het beroep tegen de parkeerboete ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.274.277/01
CJIB-nummer
: 214081069
Uitspraak d.d.
: 25 augustus 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 18 november 2019, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is J.G. Hiemstra, kantoorhoudende te Noordlaren.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 14 oktober 2020 is (aanvullende) informatie ontvangen van de advocaat-generaal.
De gemachtigde van de betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om daarop te reageren.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter niet weergeeft hetgeen tijdens de zitting is aangevoerd. In het proces-verbaal ontbreekt de door de gemachtigde gedane constatering dat door de gemeente Groningen geen verkeersbesluit is genomen ten aanzien van het verkeersbord E4.
2. Deze grond treft doel. Het dossier bevat een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan ter openbare zitting van 18 november 2019. Een proces-verbaal dient een zakelijke weergave te bevatten van hetgeen is voorgevallen ter zitting (vgl. het arrest van het hof van 9 oktober 2019, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:8307). Er bestaat geen verplichting voor de kantonrechter om in het proces-verbaal een letterlijke en volledige weergave van de besproken argumenten op te nemen (vgl. het arrest van het hof van 19 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2421). Het hof stelt vast dat in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 18 november 2019 een zakelijke weergave van hetgeen is voorgevallen op de zitting, waaronder hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd, ontbreekt. De enkele vermelding “anders dan gemachtigde meent” volstaat niet. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
3. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij die beschikking een sanctie opgelegd van
€ 95,- voor: “parkeren op parkeergelegenheid, terwijl voertuig niet tot aangegeven categorie of groep voertuigen behoorde”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 januari 2018 om 14.08 uur op het Schuitendiep in Groningen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde voert aan dat door de gemeente Groningen geen verkeersbesluit is genomen ten aanzien van het bord aan de hand waarvan de gedraging is vastgesteld.
5. De Hoge Raad heeft in het arrest van 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1055 bepaald dat de omstandigheid dat een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, niet met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften is geplaatst, niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv. Dat wil zeggen noch als een omstandigheid waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, noch als een omstandigheid waarin de betrokkene verkeert (vgl. het arrest van het hof van 8 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5303). Dit betekent dat een verkeersdeelnemer zich heeft te gedragen naar de ter plaatse aanwezige bebording, ook indien - wat daarvan ook zij - het bord is geplaatst zonder dat daaraan een verkeersbesluit ten grondslag ligt. Het verweer van de gemachtigde treft daarom geen doel.
6. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.
7. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.