Colmar c.s. vorderden een verklaring voor recht dat Propertize toerekenbaar tekort was geschoten of onrechtmatig had gehandeld door de financiering van vastgoedprojecten voortijdig te beëindigen en onderhandelingen over herfinanciering onrechtmatig af te breken.
De rechtbank wees deze vorderingen af en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof overweegt dat Propertize geen partij was bij de Partners’ Agreement waarop Colmar c.s. zich beroepen en dat de Beëindigingsovereenkomst van 29 juli 2008 een alomvattende regeling vormde met een harde deadline voor aflossing op 31 december 2008.
Ondanks de kredietcrisis en de moeilijke marktomstandigheden was Propertize gerechtigd de financiering te beëindigen en haar zekerheden uit te winnen na verzuim van The Key Group. De onderhandelingen over herfinanciering werden niet onredelijk afgebroken, mede omdat geen voldoende zekerheid over financiering werd geboden.
Het hof oordeelt dat Propertize niet in schuldeisersverzuim is geraakt, geen bijzondere zorgplicht heeft geschonden en geen onrechtmatige executie heeft gepleegd. De vorderingen van Colmar c.s. falen en het hof veroordeelt hen in de kosten van het hoger beroep.