Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:9010

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 september 2021
Publicatiedatum
27 september 2021
Zaaknummer
200.294.980/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.3 JeugdwetArt. 6.1.12 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onduidelijkheid over duur spoedmachtiging gesloten jeugdhulp leidt tot vernietiging beschikking

In deze zaak staat de vraag centraal of de kinderrechter voldoende duidelijkheid heeft verschaft over het tijdstip waarop een spoedmachtiging voor gesloten jeugdhulp haar geldigheid verliest. De kinderrechter had op 9 februari 2021 een spoedmachtiging verleend voor twee weken, maar bij beschikking van 16 februari 2021 het verzoek tot verlenging afgewezen. De interpretatie van deze beschikking leidde tot onduidelijkheid over de geldigheid van de spoedmachtiging na 16 februari.

Het hof constateert dat de beschikking van 16 februari 2021 onduidelijk is, mede doordat de kinderrechter een verkeerd wetsartikel noemde en het dictum niet duidelijk maakte dat de spoedmachtiging vanaf die datum verviel. De wettelijke systematiek van artikel 6.1.12 lid 2 Jeugdwet bepaalt dat een opvolgende beslissing de eerdere spoedmachtiging beëindigt. Hoewel formeel nog sprake was van een spoedmachtiging, had de kinderrechter deze moeten beëindigen bij de latere beschikking.

Het hof vernietigt daarom het dictum van de beschikking van 16 februari 2021 en wijst het verzoek tot spoedmachtiging af voor de periode na 16 februari 2021. De eerdere spoedmachtiging blijft voor de periode tot 16 februari 2021 in stand. Hiermee wordt duidelijkheid geschapen over de duur van de vrijheidsbeperkende maatregel, hetgeen essentieel is voor de rechtszekerheid en bescherming van de betrokken jeugdige.

Uitkomst: De spoedmachtiging is geldig tot 16 februari 2021 en het verzoek tot verlenging daarna wordt afgewezen wegens onduidelijkheid in de beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.294.980/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 517064)
beschikking van 23 september 2021
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. C. Grijsen te Almere,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland
gevestigd te Almere,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de moeder],
wonende op een geheim adres,
verder te noemen: de moeder,
en
[de vader],
wonende op een geheim adres,
verder te noemen: de vader.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming
regio Midden Nederland, locatie Utrecht,
verder te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 16 februari 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n) ingekomen op 12 mei 2021;
- het verweerschrift van de GI met bijlage(n);
- een journaalbericht namens [verzoeker] van 9 juli 2021 met bijlage(n);
- een brief van de raad van 17 augustus 2021.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 26 augustus 2021 plaatsgevonden. Aanwezig waren [verzoeker] en zijn advocaat, namens de GI mevrouw [naam1] en mevrouw [naam2] , en de moeder.

3.De feiten

3.1
[verzoeker] is geboren op [datum] 2003. Op [datum] 2021 is hij meerderjarig geworden. De ouders waren tot [datum] 2021, gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [verzoeker] .
3.2
Bij beschikking van 1 september 2020 heeft de kinderrechter [verzoeker] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 1 september 2020 tot [datum] 2021.
3.3
De GI heeft op 9 februari 2021 de kinderrechter verzocht op grond van artikel 6.1.3 lid 1 Jeugdwet (Jw) een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van vier weken.
Een gekwalificeerde gedragswetenschapper die [verzoeker] met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, heeft bij verklaring van 9 februari 2021 ingestemd met het verzoek.
3.4
De kinderrechter heeft bij beschikking van 9 februari 2021 een spoedmachtiging verleend om [verzoeker] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 9 februari 2021 voor de duur van twee weken, tot
23 februari 2021, en het meer of anders gevraagde aangehouden met bepaling dat de belanghebbenden zullen worden gehoord tijdens de mondelinge behandeling op 16 februari 2021.
3.5
De kinderrechter heeft [verzoeker] , zijn moeder en de GI gehoord op 16 februari 2021 alvorens verder te beslissen op het verzoek van de GI en heeft bij de bestreden beschikking van 16 februari 2021 (schriftelijk vastgelegd op 17 maart 2021) als volgt overwogen en beslist:
De verdere beoordeling
[…] Er zijn dermate grote opgroei- en opvoedingsproblemen bij [verzoeker] dat een machtiging voor opname in een gesloten accommodatie en hulpverlening nodig is. Anderzijds wordt [verzoeker] binnen afzienbare tijd ( [datum] 2003) meerderjarig. De kinderrechter is van oordeel dat, gegeven de termijn tussen de beschikking en de meerderjarigheid van [verzoeker] te kort is om een gesloten plaatsing effectief te laten zijn. Dit wordt voorts ook bemoeilijkt door de houding van [verzoeker] , nu hij niet openstaat voor hulpverlening en moeder van mening is dat [verzoeker] thuis kan wonen. De kinderrechter zal het verzoek van de GI afwijzen.
De kinderrechter wenst te benadrukken dat er wel degelijk grote zorgen bestaan over de ontwikkeling van [verzoeker] en zijn veiligheid. [verzoeker] laat zelfbepalend gedrag zien en staat niet, dan wel onvoldoende, open voor de hulpverlening vanuit [naam3] en [naam4] . De kinderrechter is daarom van oordeel dat de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp bij beschikking van 9 februari 2021 niet ten onrechte is afgegeven.
De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.”
3.6
[verzoeker] is op 16 februari 2021 op basis van de onder 3.4 vermelde spoedmachtiging geplaatst in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg; hij verbleef gedurende zeven dagen, tot en met 22 februari 2021 op een behandelgroep van [naam5] , JeugdzorgPlus in [plaats1] .

4.De omvang van het geschil

4.1
[verzoeker] is met één algemene grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van
16 februari 2021 (hierna ook: de bestreden beschikking). Deze grief ziet op het oordeel van de kinderrechter dat de spoedmachtiging voor de duur van twee weken bij beschikking van
9 februari 2021 niet ten onrechte is afgegeven. [verzoeker] verzoekt het hof de beschikking van 16 februari 2021 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:
“de beschikking d.d.16 februari 2021 voor wat betreft de afgegeven spoedmachtiging voor de duur van twee weken ten onrechte in stand is gelaten, althans ten onrechte niet is bepaald dat de reeds afgegeven spoedmachtiging met ingang van 16 februari 2021 diende te worden beëindigd, dan wel een beslissing te nemen zoals het hof in goede justitie meent te moeten bepalen”.
4.2
Ter zitting van 26 augustus 2021 heeft de advocaat van [verzoeker] het hoger beroep nader toegelicht en gepreciseerd. Zij heeft aangegeven dat het hoger beroep betrekking heeft op het feit dat [verzoeker] na de zitting op 16 februari 2021, alsnog tot en met 22 februari gesloten is geplaatst. Die plaatsing had, gelet op de motivering van de bestreden beschikking en de ratio van de wettelijke bepalingen, niet meer mogen plaatsvinden en de kinderrechter had dit nadrukkelijk in zijn dictum moeten bepalen.
4.3
De GI voert verweer en zij verzoekt het verzoek van [verzoeker] in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De moeder heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat zij zich aansluit bij het standpunt van [verzoeker] .

5.De motivering van de beslissing

Wettelijk kader
5.1
Artikel 6.1.3 lid 1 Jw bepaalt dat de kinderrechter, indien een machtiging niet kan worden afgewacht, op verzoek een spoedmachtiging kan verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan een spoedmachtiging slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:
a. onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, of een ernstig vermoeden daarvan, en
b.de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
Het verzoek behoeft ingevolge artikel 6.1.3 lid 3 Jw instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk is.
5.2
De beschikking is ingevolge artikel 6.1.12 lid 1 Jw bij voorraad uitvoerbaar. Ingevolge het tweede lid van dit artikel geldt de spoedmachtiging tot het tijdstip waarop een beslissing op een verzoek om een machtiging is genomen, doch ten hoogste vier weken.
Oordeel van het hof
5.3
Het hof stelt vast dat er op het verzoek van de GI om een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp betreffende [verzoeker] te verlenen voor de duur van vier weken, twee opeenvolgende beschikkingen zijn gegeven. Het hof stelt voorop dat [verzoeker] tegen de eerste beschikking, waarbij de kinderrechter heeft geoordeeld dat er voldaan is aan de criteria van artikel 6.1.3 Jw en spoedmachtiging heeft verleend voor een periode van twee weken en het meer of anders gevraagde heeft aangehouden, geen hoger beroep heeft ingesteld. Zijn hoger beroep richt zich alleen tegen de daaropvolgende beslissing van de kinderrechter van 16 februari 2021.
5.4
Het hof constateert dat de bestreden beschikking van 16 februari 2021 tot onduidelijkheid heeft geleid bij de GI en de overige betrokkenen. Immers, zowel de advocaat van [verzoeker] als de GI hebben nadat de beschikking op 16 februari mondeling was gegeven, contact gezocht met de rechtbank om helderheid te krijgen over wat er ingevolge de beschikking wel of niet zou mogen. De GI heeft daarbij gemeend dat er alsnog tot plaatsing tot 23 februari 2021 kon worden overgegaan op grond van de eerdere beschikking van
9 februari 2021 en de advocaat van [verzoeker] meende juist van niet.
5.5
Ook het hof acht de beschikking van 16 februari 2021, ook nadat die -overigens ook erg laat (meer dan vier weken)- op schrift is gesteld, onduidelijk. Het dictum (afwijzing van het verzoek) in combinatie met de motivering (een machtiging voor opname van [verzoeker] in een gesloten accommodatie en hulpverlening zal niet effectief zijn omdat de periode vanaf de zitting tot aan het meerderjarig worden van [verzoeker] daarvoor te kort is) sluiten niet voldoende op elkaar aan, waardoor de beschikking voor verschillende interpretaties vatbaar is. De eerste interpretatie is dat de afwijzing van de kinderechter op 16 februari 2021 alleen nog ziet op (het aangehouden verzoek voor) de resterende 14 dagen (dus vanaf 23 februari 2021) en de tweede interpretatie is dat de afwijzing ook ziet op het op 16 februari 2021 nog niet ten uitvoer gelegde deel van de (bij beschikking van 9 februari 2021 reeds verleende) eerste 14 dagen (dus ook al de periode vanaf 16 tot en met 22 februari 2021). Hierbij valt aanvullend nog op te merken dat de kinderrechter ook een verkeerd artikel uit de Jeugdwet heeft genoemd, namelijk artikel 6.1.2 (gewone machtiging) in plaats van artikel 6.1.3 (spoedmachtiging), hetgeen de beschikking nog onduidelijker maakt.
5.6
Het hof overweegt als volgt. In de situatie dat eerst een spoedmachtiging is afgegeven en vervolgens na verdergaand onderzoek wordt beslist op een parallel aan het verzoek om een spoedmachtiging gedaan verzoek om een (gewone) machtiging, neemt op het tijdstip van de beslissing op de gewone machtiging de geldigheid van de spoedmachtiging een einde op grond van de wet (artikel 6.1.12 lid 2 Jw). De spoedmachtiging wordt dus “ingehaald” door de gewone machtiging. De kennelijke bedoeling van de wetgever hierbij is dat de spoed machtiging, die door zijn aard nauwelijks wordt en kan worden gemotiveerd en waarbij het beginsel van hoor en wederhoor niet of nauwelijks aandacht krijgt, zo snel mogelijk wordt vervangen door een opvolgende beslissing over een gewone machtiging, die wel goed gemotiveerd is en waarbij partijen de gelegenheid hebben gekregen om op een door de rechter bepaalde zitting te worden gehoord. Een vergelijkbare procedure heeft ook in de onderhavige zaak plaatsgevonden, echter met dien verstande dat in dit geval door de GI geen (parallel) verzoek tot een gewone machtiging was gedaan, maar het op 16 februari 2021 nog steeds ging om het (aangehouden deel van het) verzoek om een spoedmachtiging. Het hof is echter van oordeel dat ook op deze situatie de wettelijke systematiek ex artikel 6.1.12 lid 2 Jw (de opvolgende beslissing vervangt de eerdere beslissing) van toepassing hoort te zijn. Immers, ook in dit geval ging het op 16 februari om het al dan niet voortzetten van een gesloten plaatsing. Belanghebbenden waren gehoord en de kinderrechter was, anders dan bij de eerder verleende spoedmachtiging, inmiddels voldoende geïnformeerd om een nieuwe, goed gemotiveerde beslissing te geven. Dat het formeel nog steeds om een spoedmachtiging ging en niet om een gewone machtiging acht het hof daarbij van ondergeschikt belang. De eerdere spoedbeslissing kon -en naar het oordeel van het hof moest daarmee ook- door een beslissing worden vervangen die voldeed aan fundamentele rechtsbeginselen zoals het horen van belanghebbenden en een goede motivering.
5.7
De kinderrechter heeft deze fundamentele rechtsbeginselen naar het oordeel van het hof ook terecht en juist toegepast in het kader van de beschikking van 16 februari 2021, en daarmee in lijn gehandeld met de kennelijke bedoeling van de wetgever als hiervoor vermeld. Echter, de kinderrechter heeft verzuimd in de beschikking voldoende duidelijkheid te verschaffen over het tijdstip van het einde van de al verleende spoedmachtiging. Die duidelijkheid was nodig, niet alleen omdat de wet zich niet expliciet uitlaat over deze situatie, maar ook omdat de eerste spoedmachtiging al was verleend voor een volle termijn, van 14 dagen, tot uiterlijk 23 februari 2021, terwijl de kinderrechter op 16 februari 2021 concludeerde dat een gesloten plaatsing vanaf die datum, gelet op het feit dat [verzoeker] al bijna meerderjarig werd, geen effect meer zou sorteren. In lijn met de systematiek van de wet, had het wellicht meer voor de hand gelegen om de eerdere spoedmachtiging niet voor een vaste termijn (in dit geval van 14 dagen) te verlenen, maar voor een maximale termijn. Daarmee was de opvolgende beslissing wellicht beter te duiden geweest. Echter, wat daarvan ook zij, het hof is in ieder geval van oordeel dat ook in een geval als dit, waar het gaat om opvolgende beslissingen op eenzelfde verzoek om een spoedmachtiging in plaats van op twee parallelle verzoeken om een spoedmachtiging en een gewone machtiging, ook indien de eerste spoedbeslissing voor een vaste termijn is verleend, de wettelijke systematiek ex artikel 6.1.12 lid 2 Jw aangehouden dient te worden. Dat leidt er toe dat de spoedmachtiging van
9 februari 2021 vanaf de datum van de tweede beschikking, 16 februari 2021, verviel en niet meer tenuitvoergelegd kon worden. De kinderrechter had, mede gelet op de eerdere beschikking van 9 februari 2021 (waarin een spoedmachtiging voor een vaste periode van
14 dagen was verleend) in het dictum van de beschikking van 16 februari 2021, die duidelijkheid moeten verschaffen.
5.8
Nu de beschikking waarvan beroep wat betreft het dictum (de afwijzing van het verzoek) verwarrend is en onvoldoende begrijpelijk, kan de beschikking op dit punt niet in stand blijven, mede nu het gaat om een beslissing inzake een vrijheidsbeperkende maatregel waarbij duidelijkheid voorop dient te staan.
5.9
Conform de kennelijke bedoeling van de kinderrechter en in lijn met de wettelijke systematiek als hiervoor genoemd, zal het hof, met vernietiging in zoverre van de bestreden beschikking, opnieuw rechtdoende het verzoek om een spoedmachtiging afwijzen voor wat betreft de periode na 16 februari 2021. Opgemerkt zij dat deze beslissing impliceert dat de spoedmachtiging, zoals verleend bij beschikking van 9 februari 2021 en waartegen geen beroep, voor wat betreft de periode tot 16 februari 2021 in stand wordt gelaten.

6.De slotsom

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen wat betreft het dictum en opnieuw rechtdoende het verzoek om een spoedmachtiging afwijzen voor wat betreft de periode na 16 februari 2021, met bekrachtiging van de beschikking voor het overige.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 16 februari 2021, voor zover daarin het verzoek van de GI ex artikel 6.1.3 lid 1 Jeugdwet tot verlening van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp is afgewezen en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de GI ex artikel 6.1.3 lid 1 Jeugdwet tot verlening van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp af voor zover betrekking hebbend op de periode na
16 februari 2021;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, A.W. Beversluis en A.P. de Jong-de Goede, bijgestaan door mr. M. Marsnerova, als griffier, en is op 23 september 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.