Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde2],
[geïntimeerde3],
[de echtgenote],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure vordert appellant betaling van een bedrag van €138.172,44 vermeerderd met rente en kosten, stellende dat er een geldleningsovereenkomst tussen zijn ouders en de gedaagden bestond. De rechtbank wees de vordering tegen de echtgenote toe bij verstek, maar wees de vordering tegen de andere gedaagden af. Appellant gaat in hoger beroep tegen het afwijzende deel, terwijl de echtgenote incidenteel hoger beroep instelt tegen de toewijzing.
Het hof stelt vast dat de feitelijke grondslag van de vordering niet overeenkomt met de verklaring van appellant; de vermeende geldleningsovereenkomst blijkt niet te bestaan. Er is sprake van een andere overeenkomst waarbij de gelden via een beleggingsconstructie zouden worden beheerd, maar daar is geen vordering op ingesteld. Ambtshalve aanvulling van de grondslag is niet toegestaan.
Daarnaast slaagt het beroep op verjaring ex artikel 3:307 BW Pro. De gelden waren direct opeisbaar en de verjaringstermijn is verstreken. De vordering wordt daarom afgewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis voor zover het de kinderen betreft, vernietigt het vonnis voor zover het de echtgenote betreft en wijst de vordering tegen haar af. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep en de nakosten.
Uitkomst: De vordering tot betaling wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldleningsovereenkomst en geslaagd beroep op verjaring.