Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen een beslissing van de rechtbank Noord-Nederland inzake de ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht. Betrokkene was eerder veroordeeld voor oplichting en het hof stelde vast dat hij financieel voordeel had behaald uit het bewezenverklaarde handelen.
Op basis van verklaringen van betrokkene en aangiften van benadeelden werd het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €130.000. De vordering van de benadeelde partij van €30.000 werd in mindering gebracht, waardoor de betalingsverplichting aan de Staat op €100.000 werd vastgesteld.
Het hof vernietigde de eerdere beslissing en deed opnieuw recht. Tevens constateerde het hof een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, maar achtte de compensatie in de strafzaak voldoende. De duur van de gijzeling die kan worden gevorderd werd vastgesteld op maximaal 1095 dagen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 februari 2021.