Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:805

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2022
Publicatiedatum
30 mei 2022
Zaaknummer
21/00457
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering duur gijzeling bij ontnemingsmaatregel tot wettelijk maximum

In deze cassatieprocedure heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 februari 2021 beoordeeld, waarin een ontnemingsmaatregel werd opgelegd aan de betrokkene wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit oplichtingsfeiten.

De betrokkene stelde cassatiemiddelen in tegen het hofarrest. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest, maar uitsluitend met betrekking tot de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd. De Hoge Raad oordeelde dat de duur van de gijzeling volgens artikel 36e lid 11 Sr en artikel 6:6:25 Sv Pro maximaal drie jaar mag bedragen, waarbij een jaar gelijk is aan 360 dagen.

Het hof had de duur van de gijzeling vastgesteld op 1095 dagen, wat het wettelijk maximum overschrijdt. De Hoge Raad vernietigde dit onderdeel van het hofarrest en stelde de maximale duur van de gijzeling vast op 1080 dagen, waarmee het wettelijk maximum van drie jaren wordt gerespecteerd.

De overige klachten van de betrokkene werden verworpen. Hiermee bevestigt de Hoge Raad de ontnemingsmaatregel, behoudens de aanpassing van de duur van de gijzeling tot het wettelijk maximum.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de duur van de gijzeling bij de ontnemingsmaatregel van 1095 naar 1080 dagen, conform het wettelijk maximum van drie jaren.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/00457 P
Datum31 mei 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 februari 2021, nummer 21-004655-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover het de duur van de gijzeling betreft; de Hoge Raad kan de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepalen op 1080 dagen.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat met betrekking tot de opgelegde ontnemingsmaatregel de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, is bepaald op 1095 dagen.
3.2
Op grond van artikel 36e lid 11 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt de rechter bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste drie jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:HR:2021:812).
3.3
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof in zoverre vernietigen en zelf de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van drie jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen is bepaald;
- bepaalt dat voor zover het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen heeft bepaald, dient te worden uitgegaan van een duur van 1080 dagen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 mei 2022.