Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: [verzoekster] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellante, benoemd tot enige erfgenaam en executeur-testamentair van de curandus, stelde hoger beroep in tegen meerdere schenkingsbeschikkingen van de curator over de jaren 2013 tot en met 2019. Het hof oordeelde dat appellante ten tijde van deze beschikkingen geen belanghebbende was, omdat het testament pas werking kreeg bij het overlijden van de curandus in 2020. Hierdoor had zij destijds geen recht van hoger beroep en kon zij dit ook niet alsnog instellen.
De procedure betrof verzoeken van de curator om schenkingen te mogen doen uit het vermogen van de curandus, die onder curatele stond sinds 2011. De kantonrechter verleende jaarlijks machtiging voor schenkingen, totdat in 2020 een verzoek werd afgewezen vanwege het te lage vermogen.
Het hof volgde het verweer van de curator en overige belanghebbenden dat appellante niet onder de in artikel 798 Rv Pro genoemde belanghebbenden viel. Zij werd daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens ontbreken van belanghebbende status ten tijde van de beschikkingen.