Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de Inspecteur. De rechtbank had de aanslag verminderd tot €6.122, maar het hof heeft deze verder verminderd tot €5.920 vanwege toepassing van het lagere tarief uit 2015 voor één voertuig en een correcte waardevermindering.
De kern van het geschil betrof de berekening van de waardevermindering van acht geïmporteerde auto's, waarbij belanghebbende de taxatierapporten van een externe taxateur gebruikte en de Inspecteur rapporten van de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor een hogere waardevermindering dan door de Inspecteur gehanteerd.
Verder behandelde het hof diverse juridische vragen, zoals de bevoegdheid van nationale rechters om Unierecht toe te passen, de bewijslastverdeling, en de toepassing van artikel 16a Wet bpm. Ook werd de redelijke termijn verlengd vanwege het uitstel van hoorzittingen door de gemachtigde van belanghebbende.
Het hof wees het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van werkelijke kosten af en handhaafde de forfaitaire proceskostenvergoeding. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten, met wettelijke rente. Het hof bepaalde dat tegen verrekening van deze vergoedingen alleen de civiele rechter bevoegd is.