Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
2.Uitgangspunten in cassatie
Volgens het Hof vormt artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling BPM een belemmering om voor een dergelijk schadevoertuig aangifte voor de bpm te doen vóórdat de essentiële gebreken daaraan zijn hersteld. Door deze belemmering en de wijze waarop de Belastingdienst en de RDW bij registratie en heffing samenwerken, kan, aldus het Hof, niet worden uitgesloten dat een uit een andere lidstaat overgebracht, gebruikt motorrijtuig wordt onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van gelijksoortige reeds in Nederland geregistreerde motorrijtuigen. Op een in Nederland geregistreerd motorrijtuig met een WOK-status rust immers het restant van de bij registratie geheven bpm waarvan de afschrijving is bepaald naar de staat van dat motorrijtuig met essentiële gebreken, terwijl voor een uit een andere lidstaat overgebracht, gebruikt motorrijtuig die vermindering pas mag worden bepaald en toegepast na herstel van de essentiële gebreken. De waardevermeerdering door het herstel van de essentiële gebreken werkt dus door in de uiteindelijk verschuldigde bpm, terwijl dat bij een in Nederland geregistreerd motorrijtuig met een WOK-status na herstel van de essentiële gebreken niet het geval is, zo overweegt het Hof.
3.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
Uit dit een en ander moet worden afgeleid dat de wetgever heeft bedoeld bpm te heffen voor motorrijtuigen die van de weg in Nederland gebruik (gaan) maken en wel naar de staat waarin zij verkeren op het tijdstip dat zij in overeenstemming met de WvW kunnen en mogen worden toegelaten op de weg in Nederland.
Uit artikel 2 van Pro de Wet BPM volgt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de tenaamstelling van een motorrijtuig in het kentekenregister de voltooiing van de registratieprocedure betekent en dat op dat moment het belastbare feit voor de bpm zich voordoet. [3]
De vermindering is de afschrijving van de waarde van de personenauto, uitgedrukt in een percentage van de catalogusprijs (inclusief bpm) op het tijdstip waarop de personenauto voor het eerst in gebruik is genomen. De belastingplichtige dient bij de aangifte opgaaf te doen van de gegevens die zijn gebruikt voor het vaststellen van de in artikel 10, lid 1, van de Wet BPM in aanmerking genomen vermindering.
Met artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling BPM is erin voorzien dat voor een vanuit het buitenland overgebracht, gebruikt motorrijtuig met essentiële gebreken de in artikel 10, lid 1, van de Wet BPM bedoelde vermindering pas mag en kan worden bepaald op het tijdstip dat de essentiële gebreken zijn hersteld en naar de staat waarin het motorrijtuig zich dan bevindt. Pas dan zal de RDW het in verband met die essentiële gebreken opgelegde rijverbod opheffen, zodat met het motorrijtuig kan en mag worden deelgenomen aan het verkeer.
Deze bepaling strookt met het doel en de strekking van de Wet BPM zoals hiervoor in 3.3.2 weergegeven, namelijk om bpm te heffen ter zake van uitsluitend motorrijtuigen die – volgens de uit de WvW voortvloeiende eisen – geschikt zijn om te worden toegelaten op de weg in Nederland.
Op die interne markt zal de heffing van bpm alleen in beeld komen bij handelaren die dergelijke motorrijtuigen willen aankopen om te kunnen bestemmen voor gebruik op de weg in Nederland, en dus met de bedoeling de essentiële gebreken ervan te herstellen. Ook dan geldt dat vanuit de interne markt bezien die aankoop plaatsvindt op een handelsmarkt van motorrijtuigen met essentiële gebreken waardoor deze niet op de weg in Nederland in gebruik kunnen of mogen worden genomen. Dat is niet dezelfde handelsmarkt als de markt van motorrijtuigen die dat wel kunnen of mogen. Bedacht moet worden dat vóórdat het hiervoor bedoelde herstel van essentiële gebreken heeft plaatsgevonden, het motorrijtuig niet in de door artikel 110 VWEU Pro beschermde concurrentie kan treden met motorrijtuigen waarmee gebruik van de weg kan en mag worden gemaakt. Verder geldt dat ook een in Nederland geregistreerd motorrijtuig met essentiële gebreken pas weer gebruik mag gaan maken van de weg wanneer die gebreken zijn hersteld en met dat herstel de handelswaarde van dat motorrijtuig, inclusief de daarin verdisconteerde bpm-component, als gevolg van dat herstel is toegenomen tot een handelswaarde zonder essentiële gebreken. Het hiervoor in 2.9.2 weergegeven oordeel van het Hof over de onverenigbaarheid van artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling BPM met artikel 110 VWEU Pro geeft daarom in zoverre blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Volgens het bij de Rechtbank ingediende verweerschrift heeft de Inspecteur bij zijn berekening van de hoogte van de afschrijving van de bpm rekening gehouden met de extra leeftijdskorting als gevolg van het verstrijken van de termijn tussen de datum van aangifte (5 februari 2015) en de datum waarop de tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden (11 maart 2015). Met inachtneming van het vorenstaande bedraagt de na te heffen bpm € 2.090.