Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2022:10394

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 december 2022
Publicatiedatum
5 december 2022
Zaaknummer
P22/63
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:14 SvArt. 453 SvArt. 6:6:15 SvWet op de rechterlijke organisatieWet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlenging terbeschikkingstelling ondanks verzoek tot voorwaardelijke beëindiging

De terbeschikkinggestelde heeft beroep ingesteld tegen de verlenging van zijn terbeschikkingstelling met twee jaar door de rechtbank Noord-Nederland. Ondanks intrekking van het beroep heeft hij ter zitting blijk gegeven van bezwaren, waardoor het hof hem ontvankelijk verklaart.

De terbeschikkinggestelde verzocht om een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege en om een zorgmachtiging in het kader van de Wvggz. Het hof oordeelt dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor een zorgmachtiging en dat het recidivegevaar hoog blijft, mede door het ontbreken van samenwerking met de reclassering.

Het hof wijst ook het verzoek tot onderzoek naar voorwaardelijke beëindiging af, omdat het resocialisatietraject nog onvoldoende gevorderd is en gefaseerde uitbreiding van vrijheden noodzakelijk blijft. De ernst van de stoornis, het recidivegevaar en het ontbreken van alternatieven rechtvaardigen de verlenging.

De maatregel loopt inmiddels ruim twintig jaar, maar het hof acht de verlenging proportioneel en subsidiariteit niet geschonden. De beslissing van de rechtbank wordt met deze overwegingen bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar en wijst verzoeken tot zorgmachtiging en voorwaardelijke beëindiging af.

Uitspraak

TBS P22/63
Beslissing van 1 december 2022
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [locatie] ,
verder te noemen de terbeschikkinggestelde.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 8 februari 2022. Deze beslissing houdt in de verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar en - impliciet - de afwijzing van het verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege en de afwijzing van het verzoek tot het doen starten van een voorbereidingsprocedure in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz).
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
  • de processen-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
  • de beslissing waarvan beroep;
  • de akte van 16 februari 2022 waarbij de terbeschikkinggestelde beroep heeft ingesteld;
  • de aanvullende informatie van de kliniek van 21 april 2022, met als bijlage de risicotaxatie;
  • het proces-verbaal van de zitting van het hof van 12 mei 2022;
  • het proces-verbaal van de zitting van het hof van 30 juni 2022;
  • de aanvullende informatie van de kliniek van 26 augustus 2022, met als bijlage de risicotaxatie en de wettelijke aantekeningen van 5 januari 2022 tot 6 mei 2022;
  • de akte van 30 augustus 2022 waarbij de terbeschikkinggestelde het beroep heeft ingetrokken;
  • het wrakingsverzoek van de terbeschikkinggestelde van 31 augustus 2022;
  • het proces-verbaal van bevindingen van het hof van 1 september 2022 inhoudende dat de zitting geen doorgang kon vinden in verband met het wrakingsverzoek;
  • de e-mail van de raadsvrouw van 5 oktober 2022;
  • de beslissing van de wrakingskamer van 10 oktober 2022.
Het hof heeft ter zitting van 17 november 2022 gehoord de advocaat-generaal
mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit en de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw
mr. S. Marjanović, advocaat te ’s-Gravenhage.

Overwegingen

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde
De terbeschikkinggestelde heeft zich op het standpunt gesteld dat de verpleging van overheidswege voorwaardelijk dient te worden beëindigd. De raadsvrouw heeft aangevuld dat de terbeschikkinggestelde ontvankelijk is in zijn beroep, aangezien uit de bezwaren van de terbeschikkinggestelde zijn wens om het beroep door te zetten ondubbelzinnig is gebleken. De terbeschikkinggestelde heeft ondanks zijn intrekking van het hoger beroep belang bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak. Het verblijf in de kliniek heeft voor de terbeschikkinggestelde geen meerwaarde, omdat het behandelplafond al lange tijd is bereikt en de problematiek onbehandelbaar is. Het is van belang dat de terbeschikkinggestelde verder komt in het resocialisatietraject, maar hier is in de afgelopen jaren niets van terecht gekomen door de moeizame samenwerking tussen de klinieken en de terbeschikkinggestelde. Mede gelet op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is het niet juist dat hij niet verder komt in dat traject. De maatregel duurt al ruim twintig jaar en de indexdelicten zijn niet van dusdanige aard dat deze de lange duur van de maatregel rechtvaardigen. De enige manier om naar resocialisatie toe te werken is buiten het huidige kader. In het kader van subsidiariteit is het van belang om alternatieven te onderzoeken. Primair heeft de raadsvrouw verzocht om de zaak aan te houden en de officier van justitie te verzoeken een zorgmachtiging in het kader van de Wvggz voor te bereiden. Het recidivegevaar is naar een aanvaardbaar niveau gedaald en ziet op vermogensdelicten met geweld. Begeleiding van de terbeschikkinggestelde is mogelijk buiten de huidige maatregel. Subsidiair heeft zij, gelet op de inmiddels verstreken tijd sinds de laatste expiratiedatum, verzocht om de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaar, maar de zaak aan te houden om de reclassering de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te laten onderzoeken. Gelet op de laatste ontwikkelingen is deze mogelijkheid onvoldoende onderzocht. Meer subsidiair heeft zij verzocht om de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaar en de kliniek te vragen om zorg te dragen voor het door de reclassering doen opmaken van een maatregelenrapport voor de volgende verlengingszitting.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep. De rechtbank heeft de terbeschikkingstelling met twee jaar verlengd, waarna er twee zittingen bij het hof zijn geweest. Vervolgens heeft de terbeschikkinggestelde zijn beroep ingetrokken, waarvan een akte is opgemaakt. Het hof heeft medegedeeld dat intrekking niet langer mogelijk was, waarna er door de terbeschikkinggestelde een wrakingsverzoek is gedaan. Hieruit blijkt dat de terbeschikkinggestelde daadwerkelijk intrekking van zijn beroep wenste. Het doorzetten van het beroep heeft geen meerwaarde. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de terbeschikkingstelling met twee jaar dient te worden verlengd. Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege is prematuur, aangezien er nog stappen moeten worden gezet in het resocialisatietraject. Er is sprake van een stoornis en het recidivegevaar is hoog bij beëindiging van de maatregel. Gelet op het recidivegevaar moet het verzoek om een zorgmachtiging voor te bereiden af worden gewezen. Ten aanzien van de proportionaliteit heeft de advocaat-generaal gewezen op de veroordeling van de terbeschikkinggestelde in 2017. Ten aanzien van de subsidiariteit heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat er op dit moment geen alternatief is voor de maatregel. De kliniek zoekt actief naar mogelijkheden, zoals onlangs met de reclassering, maar het is ook aan de terbeschikkinggestelde om kansen aan te grijpen.
Het oordeel van het hof
De rechtbank heeft weliswaar overwogen dat zij het verzoek tot het laten onderzoeken van de mogelijkheid van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege en het verzoek tot het starten van een voorbereidingsprocedure in het kader van de Wvggz afwijst, maar heeft verzuimd deze beslissing in het dictum op te nemen. Het hof merkt dit aan als een kennelijke vergissing en leest het dictum van de rechtbank verbeterd.
De terbeschikkinggestelde heeft na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting zijn beroep ingetrokken. Dat is niet mogelijk gelet op artikel 6:6:15, vierde lid, juncto artikel 453, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Met die intrekking is echter wel de vraag aan de orde of de terbeschikkinggestelde nog belang heeft bij de behandeling van het beroep. Hij heeft op 17 november 2022 ter terechtzitting ondubbelzinnig blijk gegeven van zijn bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank. Naar het oordeel van het hof heeft de terbeschikkinggestelde daarom belang bij de behandeling van zijn beroep. Het hof zal hem daarom ontvankelijk verklaren in dat beroep.
Ten aanzien van het verzoek om de officier van justitie te verzoeken een zorgmachtiging in het kader van de Wvggz voor te bereiden is het hof van oordeel dat er op dit moment onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor een dergelijk onderzoek. Het hof heeft hierbij gelet op het recidivegevaar. Uit de meest recente risicotaxatie blijkt dat het risico op een terugval in gewelddadig gedrag zonder het huidige kader wordt ingeschat als hoog. Om het recidivegevaar terug te brengen dient er eerst sprake te zijn van samenwerking tussen de terbeschikkinggestelde en de reclassering. Daarvan is geen sprake en daarbij neemt het hof in aanmerking dat de reclassering recent heeft aangegeven niet verder te gaan met het onderzoeken van de mogelijkheid tot proefverlof. Het hof zal het verzoek dan ook afwijzen.
Ook het verzoek tot het door de reclassering doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, wijst het hof af. De noodzakelijkheid van dit onderzoek is niet gebleken. Het hof acht een voorwaardelijke beëindiging niet opportuun, omdat een gefaseerde uitbreiding van vrijheden is aangewezen en dit traject nog onvoldoende is gevorderd.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het hof de beslissing waarvan beroep met overneming van die gronden bevestigen, met aanvulling van het volgende.
De terbeschikkingstelling is ingegaan op 30 augustus 2002 en loopt inmiddels meer dan twintig jaren. De indexdelicten zijn - kort gezegd - diefstal vergezeld van geweld en bedreiging van geweld tegen personen, tweemaal afpersing en diefstal voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen. Het hof is van oordeel dat bij een afweging tussen de belangen van de terbeschikkinggestelde en die van de maatschappij, het belang van de terbeschikkinggestelde, naarmate de maatregel langer duurt, steeds zwaarder dient te wegen. Anders dan de raadsvrouw is het hof echter van oordeel dat van disproportionaliteit in het onderhavige geval geen sprake is. Naast het tijdsverloop in relatie tot de ernst van de indexdelicten, moet namelijk ook de aard van de stoornis en de ernst van het recidivegevaar in aanmerking worden genomen. Het hof acht verlenging van de maatregel ook niet in strijd met het beginsel van subsidiariteit. Uit de stukken blijkt dat er nog geen geschikte alternatieven zijn om de terbeschikkinggestelde te kunnen laten functioneren in de maatschappij zonder de structuur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Beslissing

Het hof:
Verklaartde terbeschikkinggestelde ontvankelijk in zijn beroep.
Wijst afhet verzoek het openbaar ministerie te verzoeken een zorgmachtiging op grond van de Wvggz voor te bereiden.
Wijst afhet verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.
Bevestigtmet aanvulling van gronden als voormeld de beslissing van de rechtbank
Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 8 februari 2022 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde
[terbeschikkinggestelde].
Aldus gedaan door
mr. M. Keppels als voorzitter,
mr. M.E. van Wees en mr. E.A.K.G. Ruys als raadsheren,
en drs. I. van Outheusden en dr. E.L.M. Klein Haneveld als raden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A. Valé als griffier,
en op 1 december 2022 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.