ECLI:NL:GHARL:2022:10449

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 december 2022
Publicatiedatum
6 december 2022
Zaaknummer
200.317.434
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen ondertoezichtstelling minderjarige afgewezen door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een minderjarige onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden vanwege zorgen over haar ontwikkeling. De kinderrechter wees dit verzoek af. De Raad ging in hoger beroep tegen deze beslissing. Tijdens de procedure stelde het hof vast dat de minderjarige in het verleden getuige was van heftige ruzies tussen haar ouders, wat een ernstige ontwikkelingsbedreiging vormde.

Echter, na het uit elkaar gaan van de ouders en het starten van vrijwillige hulpverlening aan beiden, is de situatie verbeterd. De ouders wonen apart, werken aan hun persoonlijke ontwikkeling en relatie, en ontvangen begeleiding van een hulpverleningsinstantie. Het hof concludeert dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet langer bestaat en dat een ondertoezichtstelling op dit moment niet noodzakelijk is.

De Raad uitte zorgen over meldingen van geluidsoverlast en ruzies bij de vader, maar deze incidenten dateren van enkele maanden geleden en zijn sindsdien niet herhaald. Het hof acht de huidige vrijwillige hulpverlening voldoende en benadrukt dat een ondertoezichtstelling mogelijk averechts kan werken door extra stress voor het gezin. Het verzoek van de Raad wordt daarom afgewezen en de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de Raad af en bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter; de minderjarige wordt niet onder toezicht gesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.317.434
(zaaknummer rechtbank Gelderland 407401)
beschikking van 6 december 2022
inzake
de
raad voor de kinderbescherming,
gevestigd in Arnhem,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de raad,
[verweerder],
wonende in [woonplaats1] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
en
[verweerster],
wonende in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. Striekwold in Doetinchem.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter bij de rechtbank Gelderland (hierna: de kinderrechter) van 15 september 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder te noemen: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, binnengekomen op 14 oktober 2022;
  • het verweerschrift van de moeder;
  • een e-mailbericht van mr. Striekwold van 22 november 2022.
2.2
De mondelinge behandeling was op 22 november 2022. Daarbij waren aanwezig:
  • een vertegenwoordiger van de raad;
  • de moeder met haar advocaat
  • de vader.
3. De feiten
3.1
[de minderjarige] is geboren [in] 2018. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
3.2
De raad heeft de kinderrechter verzocht om [de minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking. In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter dit verzoek afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1
De raad is in hoger beroep gekomen. De raad verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, [de minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar.
4.2
De moeder en de vader voeren verweer in hoger beroep. De moeder heeft het hof gevraagd om de raad niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken van de raad af te wijzen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. In de wet wordt dat een ‘ernstige ontwikkelingsbedreiging’ genoemd.
Daarbij werken de ouders niet of niet genoeg mee aan vrijwillige hulpverlening. Het moet wel zo zijn dat de ouders de verzorging en opvoeding binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf kunnen gaan doen (artikel 1:255 BW Pro).
5.2
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de juiste beslissing heeft genomen. Het hof voegt het volgende toe aan de overwegingen van kinderrechter.
5.3
Het hof begrijpt dat de raad zorgen heeft over [de minderjarige] . Toen de ouders nog samenwoonden, heeft [de minderjarige] vervelende dingen meegemaakt. Zij was bijvoorbeeld getuige van heftige ruzies tussen haar ouders. Op de zitting hebben beide ouders dat ook erkend. In die tijd werd [de minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling bedreigd.
5.4
Daarna hebben de ouders een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Zij hebben nog wel een relatie met elkaar, maar ze wonen niet meer samen en ze willen voorlopig ook niet samenwonen. De moeder woont met [de minderjarige] bij oma (van moederszijde) en de vader woont alleen. De ouders willen zich de komende jaren richten op hun eigen ontwikkeling en daarnaast werken aan hun relatie.
5.5
De raad maakt zich zorgen over de persoonlijke problemen van de ouders, hun ruzies en de gevolgen daarvan voor [de minderjarige] . De vader kan zijn emoties moeilijk beheersen en de moeder vindt het lastig om haar grenzen aan te geven, en om overzicht en structuur vast te houden. De ouders hebben het hof verteld dat zij beseffen dat zij aan hun problemen moeten werken. Daarvoor krijgen de ouders inmiddels, ieder afzonderlijk hulp van [naam1] . Deze hulp hebben zij vrijwillig aangepakt. De begeleider van de moeder bij [naam1] , [naam2] , heeft in een email-bericht aan de advocaat van de moeder laten weten dat de moeder een positieve ontwikkeling doormaakt . [naam2] schrijft dat de moeder laat zien dat ze zelfstandig is en dat ze een goede moeder kan zijn voor [de minderjarige] . Ook luisteren de ouders beter naar elkaar en hebben zij meer begrip voor elkaar. [naam2] heeft binnenkort ook een afspraak met de vader.
5.6
Het hof stelt vast dat de ouders en [de minderjarige] in rustiger vaarwater zitten dan toen zij samenwoonden.
Het hof vindt dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging uit die tijd nu niet meer bestaat. De raad heeft op de zitting nog verteld dat de buren van de vader nog twee meldingen bij de politie hebben gedaan van ruzies en/of geluidsoverlast in de woning van de vader en dat één is doorgezet naar Veilig Thuis, maar dat waren meldingen in het eerste weekend van september 2022. Na 4 en 5 september 2022 zijn geen meldingen meer binnengekomen. De ouders zijn vooralsnog alleen in de weekends als gezin samen, en zij erkennen dat zij hulp nodig hebben, in het bijzonder bij het opnieuw vormgeven van hun relatie.
Het hof vindt dat de hulp van [naam1] (voor de ouders) voorlopig voldoende is om een (ernstige) ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] af te wenden. Het hof denkt bovendien dat een ondertoezichtstelling averechts kan werken. De ouders hebben verteld dat zij veel stress en druk hebben ervaren toen MEE, Passie voor Jeugd en Gezin en Buurtplein betrokken waren. De vader heeft verteld dat uiteindelijk twaalf hulpverleners betrokken waren bij het gezin. De spanningen die de ouders hierdoor voelden, kunnen ook hun weerslag hebben op [de minderjarige] . Dat is niet in haar belang.
5.7
De raad heeft nu vooral de zorg dat er geen zicht is op [de minderjarige] en hoe het met haar gaat. Het hof vindt dat dit onvoldoende is om [de minderjarige] nu onder toezicht te stellen. Het hof merkt wel op dat de ouders de positieve ontwikkelingen zullen moeten doorzetten om te voorkomen dat in de toekomst wel een kinderbeschermingsmaatregel nodig zal zijn.
5. 8 Het hof wijst het verzoek van de raad dus af. Het hof zal de bestreden beschikking van de kinderrechter bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Gelderland van 15 september 2022.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, J.H. Lieber en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. L.M. de Wit als griffier, en is op 6 december 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.