ECLI:NL:GHARL:2022:10741

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 december 2022
Publicatiedatum
14 december 2022
Zaaknummer
Wahv 200.294.257/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 162 SvArt. 12a WahvArt. 515 lid 5 SvArt. 26 lid 3 WahvArt. 26a lid 1 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beschikking kantonrechter in hoger beroep tegen verzet dwangbevel

De betrokkene stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat het hof niet bevoegd was omdat er een lopend wrakingsverzoek tegen de kantonrechter was. Daarnaast betwistte hij de bevoegdheid van de rechtbank om te beslissen over het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

Het hof oordeelde dat het niet bevoegd is om te oordelen over klachten over strafrechtelijk handelen van rechtbanken en dat tegen een wrakingsbeslissing geen rechtsmiddel openstaat. Het wrakingsverzoek was bovendien te laat ingediend, namelijk op zondag vlak voor de zitting, waardoor het niet tijdig bij de rechter was aangekomen.

Verder stelde het hof vast dat het hoger beroep ontvankelijk was omdat niet kon worden vastgesteld dat de betrokkene niet aan zijn verplichtingen tot zekerheidstelling en betaling van griffierecht had voldaan. Het hof bevestigde uiteindelijk de beschikking van de kantonrechter die het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel had afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beschikking van de kantonrechter en verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummers
: Wahv 200.294.257/01
CJIB-nummer
: 225797473
Uitspraak d.d.
: 14 december 2022
Beschikkingop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 14 december 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De tussenbeschikking

De inhoud van de tussenbeschikking van 14 januari 2022 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Op 8 april 2022 is een e-mailbericht met bijlagen van de griffier van de rechtbank ontvangen.
Op 5 april 2022 en op 11 april 2022 zijn e-mailberichten van de betrokkene bij het hof ingekomen.
De Minister voor Rechtsbescherming heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De Minister heeft daarop gereageerd.
Op 22 november 2022 heeft de griffier van het hof desgevraagd nadere informatie van de rechtbank ontvangen. Beide partijen hebben daarvan een afschriften ontvangen en zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

De bevoegdheid van het hof

1. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat het hof niet bevoegd is om over de zaak te oordelen, nu de kantonrechter zitting heeft gehouden en uitspraak heeft gedaan, terwijl er een wrakingsprocedure tegen hem liep en zijn uitspraak dus niet rechtsgeldig is. De betrokkene merkt daarbij op dat het hof zich ook niet aan de wet houdt door niet op grond van artikel 162 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan de officier van justitie de opdracht te geven een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de misdaden tegen de mensheid die de rechtbanken hebben begaan.
2. Het hof merkt vooraf op dat het niet bevoegd is te oordelen over de klacht van de betrokkene over het door hem gestelde strafrechtelijk handelen door de rechtbank(en). Ingevolge de hoofdstukken VI en VIII van de Wahv staat ter beoordeling van het hof slechts of de kantonrechter een juiste beslissing op het beroep of het verzet heeft gegeven. Voor zover de betrokkene kenbaar heeft willen maken dat hij bezwaar heeft tegen de uitkomst van de door hem aangespannen wrakings-procedure, kan het hof daar evenmin op ingaan. Gelet op artikel 12a van de Wahv juncto artikel 515, vijfde lid, van het Sv staat tegen een beslissing op een wrakingsverzoek geen rechtsmiddel open.
3. Verder stelt het hof vast dat de betrokkene op de voet van artikel 26, derde lid, van de Wahv, bij de rechtbank Oost-Brabant verzet heeft gedaan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Hierop heeft de kantonrechter in die rechtbank op 14 december 2020 een beschikking gegeven. In artikel 26a, eerste lid, van de Wahv, dat is opgenomen in voornoemd hoofdstuk VIII van de Wahv, is bepaald dat tegen een dergelijke beschikking hoger beroep kan worden ingesteld bij het hof. Dit brengt mee dat het hof in deze zaak (wel) bevoegd is om het hoger beroep te beoordelen.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep
4. Gelet op artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv is het hoger beroep tegen een beschikking als deze alleen ontvankelijk wanneer zekerheid is gesteld van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en na betaling van het verschuldigde griffierecht.
5. In de tussenbeschikking van 14 januari 2022 heeft het hof vastgesteld dat het dossier een aantal gebreken bevat waardoor het hof niet in staat is om te beoordelen of aan deze ontvankelijkheidsvereisten van het hoger beroep is voldaan. Voorts heeft het hof de griffier van de rechtbank opgedragen alsnog de niet (of niet deugdelijk) verrichte handelingen uit te voeren en de ontbrekende stukken en informatie alsnog aan te leveren.
6. De griffier van de rechtbank heeft bij bovengenoemd e-mailbericht een reactie gegeven op de tussenbeschikking. Deze reactie houdt, kort gezegd, in dat op 29 maart 2022 per aangetekende post een nieuwe nota is gestuurd, waarin wel het juiste bedrag van de zekerheidstelling is vermeld, dat volgens opgave van het LDCR het griffierecht € 83,- bedroeg, dat het LDCR wel het adres van de betrokkene controleert maar niets aangetekend verstuurt en dat de betrokkene volgens opgave van het CJIB op 8 april 2022 niets heeft betaald (geen zekerheidstelling en geen griffierrecht).
7. Het e-mailbericht van de griffier van de rechtbank bevat een aantal bijlagen, maar hierbij bevindt zich niet een kopie van de brief/nota die op 29 maart 2022 naar de betrokkene zou zijn verstuurd. Afgezien daarvan blijkt niet aan de hand van een bewijs van verzending of een deugdelijke verzendadministratie, dat deze nota daadwerkelijk aan de betrokkene is verzonden. De enkele mededeling van de griffier dat de nota aangetekend is verstuurd, is daartoe onvoldoende. Evenmin is gebleken aan de hand van een bewijs van verzending of een deugdelijke verzendadministratie dat de nota griffierecht d.d. 11 maart 2020 ten bedrage van € 83,- daadwerkelijk aan de betrokkene is verzonden. Gelet daarop kan niet worden vastgesteld dat de betrokkene behoorlijk is gewezen op zijn verplichtingen om in hoger beroep zekerheid te stellen en griffierecht te betalen.
8. Het voorgaande brengt mee dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. Het hoger beroep is ontvankelijk.
De bevoegdheid van de kantonrechter
9. Het onder 1 vermelde standpunt van de betrokkene houdt ook in dat hij de bevoegdheid van de rechtbank te beslissen op het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel betwist.
10. Bij de stukken bevindt zich een beslissing van 22 januari 2021 van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant. Hieruit blijkt dat de betrokkene bij e-mailbericht van 13 december 2020 een wrakingsverzoek bij die rechtbank heeft ingediend, dat is afgewezen. Het wrakingsverzoek is als volgt geformuleerd: “Hierbij wraak ik onderstaande rechter. De reden, de rechtspraak is zo corrupt dat mijn broertje beslist waar de rechter de handtekening onder zet en de rechtbanken zijn bezig om hem daaron te dienen. Er is een schrijven naar de Tweede Kamer gegaan over het van de rechtspraak, mocht daar geen antwoord op komen ga ik naar een ander rechtsysteem op zoek”.
11. De griffier van het hof heeft het dossier betreffende het wrakingsverzoek bij de rechtbank opgevraagd. Hierop heeft het hof de hiervoor reeds genoemde beslissing van de wrakingskamer ontvangen en een kopie van het emailbericht van de betrokkene met voormeld wrakingsverzoek. Uit dit e-mailbericht, dat is gericht aan de wrakingskamer van de rechtbank OostBrabant, blijkt dat het op zondag 13 december 2020 om 16.30 uur is verzonden. Ook staat vermeld dat een bijlage is meegezonden. Die bijlage betreft de brief van de griffier van de rechtbank, onderdeel Wet Mulder, van 9 november 2020, waarin de betrokkene naar aanleiding van zijn verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel (hierna: de verzetzaak) is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter op maandag 14 december 2020 om 10.30 uur. In de beschikking, waarvan thans hoger beroep, is vermeld dat de betrokkene niet op die zitting is verschenen.
12. Het hof leidt uit deze stukken af dat het wrakingsverzoek op het moment dat de verzetzaak werd behandeld en daarop is beslist de rechter die daarmee was belast (nog) niet had bereikt. Het hof is van oordeel dat dit een omstandigheid betreft waarvan de gevolgen voor risico van de betrokkene komen. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de betrokkene het wrakingsverzoek zeer kort voor de dag en het tijdstip dat zijn verzetzaak zou worden behandeld heeft ingediend en bovendien op een zondag, een dag waarop de griffie van de rechtbank is gesloten. Daarbij komt dat het e-mailbericht is gericht aan de wrakingskamer van de rechtbank en niet aan (de griffie van) de afdeling strafrecht/Wet Mulder. Het wrakingsverzoek van de betrokkene is derhalve niet op een zodanig tijdstip bij het gerecht ingekomen dat de betrokken rechter daarvan redelijkerwijs nog kennis kon nemen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2010, te vinden op rechtspraak.nl, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926).
13. Het hof volgt het standpunt van de betrokkene daarom niet.
14. De betrokkene heeft in hoger beroep verder geen gronden aangevoerd tegen de beschikking van de kantonrechter op het verzet. Het hof zal die beslissing dan ook bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beschikking van de kantonrechter.
Deze beschikking is gegeven door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.